Rb. Midden-Nederland, ktr. Utrecht (rolnr. 2503410 UV EXPL 13-471 LH/4059, ECLI:NL:RBMNE:2013:7251: Onbeperkte afwijking ketenregeling bij cao in strijd met EU-recht, arbeidsovereenkomst niet van rechtswege geëindigd)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 43 |
| Volume | Issue number | 2014 | 3 |
| Pages (from-to) | 362-367 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De werknemer is op 1 augustus 1996 in dienst getreden van de KNVB. Met ingang van 1 januari 1999 zijn partijen een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan voor de periode tot 1 augustus 2001 met betrekking tot de functie van scheidsrechter. Vanaf 1 augustus 2001 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan en is de werknemer werkzaam geweest als assistent-scheidsrechter in de sectie betaald voetbal van de KNVB. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO voor (assistent-)scheidsrechters betaald voetbal van toepassing. In art. 5 lid 4 van de cao, zoals deze geldt vanaf 1 januari 2007, is vastgelegd dat alleen nog arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden gesloten. De KNVB heeft op 16 mei 2013 aan de werknemer meegedeeld dat hem geen nieuwe arbeidsovereenkomst wordt aangeboden, gelet op het meerdere keren niet deelnemen aan een conditietest, en dat het dienstverband op 30 juni 2013 zal eindigen. De werknemer heeft in kort geding gevorderd dat de KNVB wordt veroordeeld tot betaling van zijn salaris. Hij stelt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, nu de afwijking in de cao in strijd is met Richtlijn 1999/70/EG.
De kantonrechter overweegt dat art. 7:668a lid 5 BW richtlijnconform moet worden uitgelegd. Doelstelling van de richtlijn is onder meer om misbruik van tijdelijke contracten te voorkomen. Dit in aanmerking nemend, is de kantonrechter van oordeel dat de bewoordingen van art. 7:668a lid 5 BW ruimte laten voor een restrictieve interpretatie van de wettelijke mogelijkheid om bij cao ten nadele van de werknemer af te wijken van de ketenregeling. Cao-partijen hebben weliswaar de vrijheid om af te wijken van de wettelijke maxima, maar niet om geheel af te zien van elke beperking. Het beroep op art. 5 lid 4 van de cao is jegens de werknemer dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en daarmee in strijd met het goed werkgeverschap. Hierbij speelt het lange ononderbroken dienstverband van de werknemer een grote rol. De werknemer heeft bijna 17 aangesloten jaren voor de KNVB gewerkt, waarvan de twee laatste arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd al voor de duur van 6,5 jaar waren, wat ruim meer is dan het dubbele van de wettelijk toegestane maximumduur. Verder heeft de KNVB geen precieze en concrete omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat zij het werk van de assistent-scheidsrechters in een reeks van jaren op basis van tijdelijke contracten laat verrichten. De arbeidsovereenkomst is derhalve na 1 juli 2013 blijven bestaan. NB. Ook in «JAR» 2012/41 en «JAR» 2008/270 leidde een richtlijnconforme uitleg tot het aannemen van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na meerdere tijdelijke contracten. In «JAR» 2011/245 en «JAR» 2014/44 werd daarentegen geoordeeld dat aan de door de richtlijn gestelde vereisten was voldaan. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2014/43 |
| Downloads | |
| Permalink to this page | |