Constituenten en woordsoorten
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Host editors |
|
| Book title | Gebarentaalwetenschap: een inleiding |
| ISBN |
|
| Pages (from-to) | 99-119 |
| Publisher | Deventer: Van Tricht |
| Organisations |
|
| Abstract |
Net als gesproken talen beschikken gebarentalen over vier soorten constituenten:
nominale constituenten, verbale constituenten, adjectivische constituenten en adverbiale constituenten. Deze zijn gerelateerd aan de vier woordsoorten. Vaak moet de grammaticale en semantische context duidelijk maken om welke soort constituent het gaat. Net als in gesproken talen zijn ook gebarentaalconstituenten hiërarchisch georganiseerd. De hiërarchische structuur kan door middel 117 ane baker & roland pfau van haakjes of in een boomdiagram worden weergegeven. Deze manier van weergave is echter vooral lineair en daarom enigszins problematisch voor gebarentalen vanwege de simultaneïteit van gebarentaaluitingen. Zo kunnen bijvoorbeeld ook niet-manuele modificeerders als constituent fungeren. Net als in gesproken talen hebben constituenten in gebarentalen altijd een hoofd dat de soort constituent bepaalt. Onder bepaalde omstandigheden mag het hoofd wel weggelaten worden. De meeste gebaren zijn lexicale gebaren: werkwoorden, naamwoorden, adjectieven of adverbia. Het onderscheiden van verschillende woordsoorten is echter soms lastig omdat woordsoorten nauwelijks door middel van bijvoorbeeld affixen gemarkeerd worden. Ook hierbij speelt de linguïstische context weer een belangrijke rol. Voor enkele gebarentalen zijn echter systematische vormverschillen beschreven tussen semantisch gerelateerde naamwoorden en werkwoorden. Sommige werkwoorden kunnen classifier-handvormen bevatten. Adjectieven en adverbia kunnen zowel manueel als niet-manueel geraliseerd worden. Verder kunnen ook contourgebaren als adjectieven fungeren. In het algemeen beschikken gebarentalen over weinig functiegebaren. Het wijsgebaar 'index' kan verschillende grammaticale functies vervullen: het kan als bepaald lidwoord dienen, als persoonlijk voornaamwoord en als aanwijzend voornaamwoord. Ruimtelijke relaties die in gesproken talen vaak door middel van preposities of postposities worden gespecificeerd, worden in gebarentalen meestal in de ruimte uitgedrukt. Tijdelijke relaties kunnen weliswaar door middel van adposities worden weergegeven, maar ook hierbij speelt de ruimte vaak een belangrijke rol. Ook conjuncties die twee zinnen met elkaar verbinden zijn vrij zelden in gebarentalen, maar er bestaat wel een klein aantal. Door middel van partikels kan de betekenis van een zin worden veranderd. Gebarentalen verschillen van elkaar wat betreft het gebruik van ontkenningspartikels. Alle gebarentalen lijken over dergelijke partikels te beschikken, maar in vele gebarentalen is het gebruik ervan optioneel, omdat ontkenning ook niet-manueel gerealiseerd kan worden. In sommige gesproken talen kan de betekenis van een zin ook door modaalpartikels worden gemodificeerd. Dergelijke veranderingen worden in gebarentalen vooral niet-manueel uitgedrukt. Hulpwerkwoorden treden altijd op in combinatie met een lexicaal werkwoord. Ze hebben de functie om tijd, aspect en modaliteit te markeren of om een subject en een predikaat met elkaar te verbinden (koppelwerkwoord). De meeste gebarentalen kennen geen koppelwerkwoord. Tijd wordt in gebarentalen vooral door adverbia gemarkeerd maar sommige gebarentalen kennen ook specifieke tijd- en aspect-hulpwerkwoorden. Vele gebarentalen maken wel regelmatig gebruik van modale werkwoorden om de mogelijkheid of noodzakelijkheid van een gebeurtenis uit te drukken. |
| Document type | Chapter |
| Language | Dutch |
| Permalink to this page | |
