Sociale competentie in het Rotterdamse onderwijs

Authors
Publication date 2008
ISBN
  • 9789068138542
Series SCO-rapport, 797
Number of pages 49
Publisher Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut
Organisations
  • Related parties - The Kohnstamm Instituut
Abstract
In 2003 is door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het plan van aanpak ‘Waarden & normen en sociale competentie in het onderwijs voor 2003 - 2006’ vastgesteld (ROAP II). De centrale doelstelling van het plan was het bevorderen van sociale integratie. Voor het onderzoeksmatig volgen van scholen die actief werken op dit terrein, is door het SCO-Kohnstamm Instituut samen met het Instituut voor de Lerarenopleiding van de Universiteit onderzoek gedaan naar de volgende vragen:

1. Hoe werken Rotterdamse scholen (po en vo) aan het bevorderen van de sociale competentie, en de waarden en normen van hun leerlingen?
2. Welke ervaringen hebben scholen met de gevolgde werkwijze?
3. Welke opbrengsten worden op leerlingniveau gerealiseerd?

Scholen vullen sociale vorming zeer divers in. Bovendien blijken scholen die al als succesvol worden gezien op dit terrein, nog bezig te zijn te zijn met het zoeken naar mogelijkheden om hun aanpak te verbeteren met nieuwe, aanvullende activiteiten. Voor een deel lijkt de diversiteit in aanpakken veroorzaakt te worden door verschillen in de aanleiding om aandacht te besteden aan de sociale ontwikkeling en met de (onderwijs)visies van scholen. De diversiteit in aanpak zou echter ook heel goed voor een deel kunnen worden veroorzaakt door onvoldoende duidelijkheid bij scholen over wat effectief is en wat niet. Wat dat betreft valt op dat nog relatief weinig scholen structureel gebruik maken van een leerlingvolgsysteem voor het betreffende terrein - wat een goede manier zou zijn om gericht bezig te werken aan de effectiviteit van hun aanpak. Onvoldoende duidelijkheid bij scholen over wat effectief is op dit terrein zou heel goed veroorzaakt kunnen worden door de (grote) hoeveelheid gepropageerde methoden en werkwijzen op dit terrein in Nederland en het gebrek aan wetenschappelijk gefundeerde kennis over de effectiviteit ervan.

De visie van de school bepaalt voor een belangrijk deel de keuze van de werkwijze en of al dan niet een specifieke methode voor de sociaal-emotionele ontwikkeling wordt gebruikt. Belangrijke argumenten voor scholen om een methode te gebruiken liggen vooral op het terrein van de duidelijkheid van wat moet worden gedaan, en van systematiek en consistentie over verschillende jaren en over verschillende docenten. Een mogelijk nadeel van het werken met een methode is dat men er op vertrouwt dat met de methode de sociale ontwikkeling voldoende aan bod komt. Een belangrijk argument om géén methode te gebruiken is dan ook dat de aandacht voor de sociaal emotionele ontwikkeling permanent aan de orde moet zijn en dat er dus aandacht voor moet zijn wanneer dat nodig is en niet (alleen of pas) als er een les is. Een mogelijk nadeel van het niet gebruiken van een methode is de erbij horende vrijblijvendheid voor de docenten.

Voor de meting van de sociale competentie is in Rotterdam een nieuw instrument gebruikt. In grote lijnen lijkt het instrument aan de verwachtingen te voldoen.
Leerlingen beoordelen zichzelf in het algemeen vrij hoog op twee van de vier componenten van sociale competentie, namelijk op de attitude en op de ingeschatte eigen vaardigheid. De leerlingen zien zichzelf op deze kanten van sociale competentie dus behoorlijk competent.
Op de componenten reflectie en conflict oplossen liggen de scores lager.
Er lijkt wel sprake van verschillen tussen scholen in effectiviteit bij het realiseren van sociale competentie/burgerschap van leerlingen, maar die zijn in het kader van dit onderzoek lastig te intepreteren.
Document type Report
Note Eindrapport
Published at http://www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl/pdf/sco797.pdf
Permalink to this page
Back