Hof Amsterdam (OK) (rolnr. 200.142.777/01 OK: intrekken 403-verklaring dochtermaatschappij, ontslagvergoeding valt onder overblijvende aansprakelijkheid van de moedermaatschappij)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 209 |
| Volume | Issue number | 2014 | 12 |
| Pages (from-to) | 1525-1531 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Op 19 mei 1987 heeft VLB ten aanzien van zes dochtervennootschappen, onder wie haar toenmalige dochtervennootschap Schildersbedrijf, een verklaring als bedoeld in art. 2:403 lid 1, onder f BW gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel ("403-verklaring"). De werkneemster is sinds 1974 in dienst van Schildersbedrijf. Bij verklaring van 16 september 2013 heeft VLB haar 403-verklaring ingetrokken en mededeling gedaan van haar voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Bij beschikking van 23 december 2013 is de arbeidsovereenkomst met de werkneemster ontbonden met toekenning van een vergoeding van € 113.000,= bruto. Bij beschikking van 11 februari 2014 heeft de rechtbank bepaald dat VLB zekerheid moet stellen ten behoeve van de werkneemster voor de betaling van de vergoeding.
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de intrekking van een 403-verklaring geen afbreuk doet aan de aansprakelijkheid voor schulden die al onder de reikwijdte van de 403-verklaring vielen. De (rechts)persoon die een 403-verklaring afgeeft, heeft in beginsel de vrijheid de reikwijdte daarvan in te perken. Indien daaromtrent niets anders in de verklaring is opgenomen, brengt een redelijke en op (de praktijk van) het handelsverkeer toegesneden wetstoepassing mee dat de werking van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedervennootschap voor de schulden van de dochtervennootschap ook geldt voor schulden die tijdens de looptijd van de 403-verklaring ontstaan uit duurovereenkomsten die vóór het ingangstijdstip van de 403-verklaring zijn aangegaan. Dit geldt ook in het geval van een arbeidsovereenkomst. Nu in het geval van VLB de 403-verklaring ter zake geen beperkingen inhoudt, is zij mede van toepassing op schulden voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst van Schildersbedrijf met de werkneemster. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en een redelijke verdeling van verantwoordelijkheden en risico’s dient meer gewicht toe te komen aan de door VLB niet ingetrokken 403-verklaring dan aan de omstandigheid dat de werkneemster had kunnen weten dat Schildersbedrijf geen dochtervennootschap van VLB meer was en er voor VLB geen reden was om de aansprakelijkheid voor de uit rechtshandelingen van Schildersbedrijf voortvloeiende schulden te handhaven. Ook indien sprake zou zijn van een "vergeten" 403-verklaring, vormt die omstandigheid niet een zodanig uitzonderlijke omstandigheid dat het beroep van VLB op toepassing van art. 6:2 lid 2 BW zou moeten slagen. De uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2014/209 |
| Downloads | |
| Permalink to this page | |