Hoge Raad (Erkenning Egyptische verstoting, Instemming of berusting vrouw, Legalisatie ambtshalve)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 50 |
| Volume | Issue number | 2008 | 4/3 |
| Pages (from-to) | 193- |
| Organisations |
|
| Abstract |
De man is in 1977 in Egypte gehuwd met zijn eerste vrouw en in 1991 in Nederland gehuwd met zijn tweede vrouw. In 1992 heeft hij de Nederlandse nationaliteit verkregen. Het openbaar ministerie heeft in 2003 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot nietigverklaring van het in 1991 gesloten huwelijk op de grond dat het is gesloten, terwijl het huwelijk van de man met de eerste vrouw niet is ontbonden. De man heeft aangevoerd dat zijn eerste huwelijk in 1988 is ontbonden door verstoting. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat de eerste vrouw heeft ingestemd met, of zich heeft neergelegd bij de door de man gestelde verstoting, en dat deze verstoting derhalve hier te lande niet kan worden erkend. De rechtbank heeft het tweede huwelijk van de man nietig verklaard. In hoger beroep heeft de tweede vrouw betoogd dat wel is voldaan aan bovengenoemde eis en heeft ter ondersteuning stukken overlegd. In zijn tussenbeschikking geeft het hof de vrouw de gelegenheid nieuw bewijs aan te bieden dat - zo stelt het hof - dient te bestaan in een door de eerste vrouw ondertekende verklaring dat zij in 1988 heeft ingestemd met of zich heeft neergelegd bij de ontbinding van het huwelijk met de man. Haar handtekening - zo eist het hof voorts - moet worden gelegaliseerd tot en met het Nederlandse Consulaat in Cairo. In zijn eindbeschikking constateert het hof onder meer dat - hoewel het tevens vaststelt dat uit een fax van het consulaat blijkt dat legalisering in casu onmogelijk is nu de eerste vrouw niet de Nederlandse nationaliteit bezit - de door de eerste vrouw opgestelde verklaring niet is voorzien van een gelegaliseerde handtekening en wijst het hoger beroep af. In cassatie voert de vrouw onder meer aan dat het hof door een gelegaliseerde handtekening te eisen buiten de grenzen van de rechtstrijd is getreden en voorts een bewijsopdracht heeft verstrekt waarvan het duidelijk had moeten zijn dat de vrouw daaraan niet kon voldoen. De Hoge Raad acht de eerstgenoemde klacht niet, maar de als tweede genoemde klacht wel gegrond en vernietigt de beschikkingen van het hof.
|
| Document type | Case note |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2008/50 |
| Permalink to this page | |