HR (zaaknr. 11/05763, LJN BY2691: functie bij Rijksuniversiteit is ook na inwerkingtreding van de WHW overheidsfunctie)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | BNB : Beslissingen in Belastingzaken |
| Article number | 191 |
| Volume | Issue number | 2013 | 18 |
| Pages (from-to) | 3957-3975 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Belanghebbende heeft tot 27 december 2000 in Nederland gewoond. Sindsdien woont hij in Thailand. Hij is van 1968 t/m september 2002 werkzaam geweest bij een Nederlandse Rijksuniversiteit. Met ingang van 1 oktober 2002 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU). In het jaar 2005 ontving belanghebbende FPU-uitkeringen van het ABP. De aanspraak op de FPU-uitkeringen is ontstaan na de inwerkingtreding van de Wet houdende bepalingen met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Voor het Hof was in geschil of Nederland gelet op het Verdrag Nederland-Thailand de FPU-uitkeringen mag belasten. Volgens het verdrag mogen pensioenen, betaald door of uit fondsen in het leven geroepen door Nederland ter zake van diensten bewezen aan Nederland in de uitoefening van overheidsfuncties, in Nederland worden belast. Belanghebbende stelt dat zijn dienstbetrekking tot de Rijksuniversiteit als gevolg van de inwerkingtreding van de WHW moet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Het Hof heeft dit standpunt verworpen.
HR: Uit het BW in samenhang met de WHW, bezien tegen de achtergrond van de Grondwet, volgt dat de Rijksuniversiteit ook na de inwerkingtreding van de WHW naar Nederlands recht moet worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtspersoon die een overheidstaak uitoefent. Ingevolge het verdrag moet aan een daarin gebruikte uitdrukking waarvan de betekenis in het verdrag niet nader is omschreven, zoals de uitdrukking ‘overheidsfunctie’, de betekenis worden toegekend welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van de Staat die het verdrag toepast. Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de WHW ging de wetgever ervan uit dat al het personeel van openbare instellingen zoals de Rijksuniversiteit zou worden aangesteld als ambtenaar en dat bestaande aanstellingen als ambtenaar in beginsel zouden worden gecontinueerd. Belanghebbende heeft voor de Rechtbank en het Hof geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop zouden kunnen wijzen dat de aard van zijn dienstbetrekking tot de Rijksuniversiteit in zijn geval door de inwerkingtreding van de WHW wel is gewijzigd. In cassatie moet er dan van worden uitgegaan dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich niet hebben voorgedaan en dat de dienstbetrekking na de inwerkingtreding van de WHW haar publiekrechtelijke karakter heeft behouden. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C3F754&cpid=WKNL-LTR-Navigator |
| Permalink to this page | |