EHRM (rolnr. 71398/12: M.E. tegen Zweden: Onmenselijke en vernederende behandeling, Asiel, Uitzetting, Libië, Homoseksualiteit, Gezinshereniging)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 223 |
| Volume | Issue number | 2014 | 10 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager is vanuit Libië naar Zweden gevlucht en beweert dat hij in Libië wordt gezocht wegens wapenhandel. Terwijl hij in Zweden verblijft ontdekt hij naar eigen zeggen zijn homoseksuele geaardheid en begint hij een relatie met de transseksueel N., met wie hij ook trouwt. Klager vertelt zijn familie in Libië wel dat hij is getrouwd, maar niet dat hij homoseksueel is, noch dat N. transseksueel is. Zijn asielverzoek wordt afgewezen omdat zijn vluchtrelaas onvoldoende betrouwbaar en coherent is. Zijn homoseksualiteit vormt volgens de Zweedse autoriteiten evenmin een blokkade voor terugkeer naar Libië. Klager doet tevens een aanvraag voor een verblijfsvergunning om gezinsredenen, maar deze moet vanuit het buitenland worden ingediend.
Klager stelt voor het EHRM dat sprake zal zijn van een schending van art. 3 EVRM als hij wordt uitgezet naar Libië. Het Hof stelt vast dat de Zweedse procedure uitgebreid en zorgvuldig is geweest. Wat betreft de beweerde wapenhandel deelt het Hof het oordeel van de Zweedse autoriteiten dat het relaas daarover onvoldoende betrouwbaar is. Het Hof betwijfelt niet dat klager homoseksueel is, net zomin als de Zweedse autoriteiten dat hebben gedaan, maar komt tot de conclusie dat die homoseksualiteit op zichzelf onvoldoende reden vormt om te vrezen voor een behandeling in Libië in strijd met art. 3 EVRM. Niet alleen is niemand in Libië op de hoogte van de aard van de verhouding met N., maar ook geldt dat in de afgelopen jaren geen informatie over Libië beschikbaar is gekomen waaruit blijkt dat homoseksuelen daar strafrechtelijk worden vervolgd of anderszins worden mishandeld vanwege hun gerichtheid. Evenmin is sprake van een schending van art. 8 EVRM, nu de relatie tussen N. en klager pas is aangegaan toen klager al in Zweden was en er op geen enkel moment een vermoeden is kunnen ontstaan dat klager in Zweden zou kunnen blijven wonen. Bovendien zal de procedure gedurende het verblijf van klager in Libië snel kunnen verlopen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2014/223 |
| Permalink to this page | |
