Hof Amsterdam (OK) (rolnr. 200.117.444/01, LJN BY9046: bevoegdheid Ondernemingskamer op grond van EEX-Verordening, besluit stopzetting vluchten Eindhoven-Londen City niet kennelijk onredelijk)

Authors
Publication date 2013
Journal Jurisprudentie Arbeidsrecht
Article number 67
Volume | Issue number 2013 | 4
Pages (from-to) 506-513
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
Abstract
In 2008 heeft CityJet het gebruiksrecht op slots voor vluchten op de luchthaven Eindhoven verworven. CityJet liet de vluchten op de route Eindhoven-Londen City sinds januari 2009 uitvoeren door de Belgische luchtvaartmaatschappij VLM Airlines. Deze maakte daarvoor gebruik van bemanning van VLM Nederland. Op 31 januari 2012 heeft VLM Nederland de OR geïnformeerd over het voornemen niet langer op de route Eindhoven-Londen City te vliegen. Op 3 februari 2012 en - na opschorting van de besluitvorming - op 3 oktober 2012 heeft VLM de OR om advies gevraagd ten aanzien van het voorgenomen besluit inhoudende de opheffing van Eindhoven als basis voor activiteiten van VLM en daarmee tevens stopzetting van de route Eindhoven-Londen City per 1 april 2013. Bij brief van 31 oktober 2012 heeft de OR negatief advies gegeven. Op 9 november 2012 is het besluit door VLM Nederland genomen. De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft op 13 november 2012 VLM Nederland en CityJet een verbod opgelegd om tot 9 december 2012 over te gaan tot uitvoering van het besluit. CityJet heeft zich vervolgens verplicht om op 31 maart 2013 (een aantal van) de betrokken slots aan Transavia over te dragen.

De Ondernemingskamer verwerpt het verweer van City Jet dat zij is gevestigd in Dublin en dat de Ondernemingskamer daarom niet bevoegd is. Naar het oordeel van het hof moet het beroep op de voet van art. 26 WOR worden beschouwd als een geschil met betrekking tot een interne aangelegenheid van een in Nederland in stand gehouden onderneming. De behandeling van een dergelijk geschil kan niet worden aangemerkt als een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in art. 1 lid 1 EEX-Verordening. Daarom is de Ondernemingskamer bevoegd van het geschil kennis te nemen. In feite heeft de OR de kern van het besluit en van het verweer, zijnde dat de route Eindhoven-Londen City structureel verlieslatend is, niet (behoorlijk gemotiveerd) bestreden. Dat VLM Nederland als geheel winst zou maken, zoals de OR stelt, betekent niet dat het staken van onrendabele activiteiten onredelijk zou zijn. Uit de omstandigheid dat Transavia belangstelling had voor de slots en deze ook daadwerkelijk zal verwerven, kan niet worden afgeleid dat de vluchten worden voortgezet of dat de exploitatie van de slots toch rendabel zou zijn. Transavia zal de slots immers gebruiken voor een andere route met bestemming Eindhoven en bovendien bedient zij anders dan VLM de toeristische markt.

NB. In «JAR» 2003/53 oordeelde de Rechtbank Amsterdam dat zij bevoegd was in een geschil tussen EOR en werkgever omdat de werkgever in Nederland was gevestigd, dus niet onder verwijzing naar eigen bevoegdheidsregels uit de WOR/WEOR. Zie over de rechten van de OR in verband met internationale activiteiten onder meer «JAR» 2012/235.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2013/67
Permalink to this page
Back