EHRM (43759/10, 43771/12: Willcox en Hurford / Verenigd Koninkrijk)

Authors
Publication date 2013
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 155
Volume | Issue number 2013 | 7
Pages (from-to) 1680-1689
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Klagers zijn beiden in Thailand veroordeeld tot lange gevangenisstraffen wegens drugsbezit. Op hun verzoek krijgen zij toestemming om hun straffen uit te zitten in het Verenigd Koninkrijk, maar daarbij is geen vermindering van de straf toegestaan. Volgens klagers zijn de straffen ‘grossly disproportionate’ en zijn zij opgelegd in een procedure die flagrant in strijd is met art. 6 EVRM. Het EHRM wijst erop dat er een verschil is tussen uitzetting naar staten waar heel lange en zware gevangenisstraffen worden opgelegd (waarover het al eerder heeft geoordeeld dat dat onder omstandigheden in strijd kan zijn met art. 3 EVRM) en het ontvangen van overgeleverde veroordeelde gevangenen. In het laatste geval zijn er vooral ook voordelen voor de betrokkenen in de vorm van humanere condities. Bovendien is het nu eenmaal zo dat er grote verschillen zijn tussen staten als het gaat om strafmaat en beoordeling van strafbare feiten, en dat de ontvangende staat het oordeel van de uitleverende staat niet zomaar opzij kan zetten. In het algemeen moeten de verdragen die hierover zijn gesloten en de afspraken die soevereine staten hebben gemaakt worden gerespecteerd. Dat geldt zeker ook in dit geval, nu de overlevering heeft plaatsgevonden op eigen verzoek van klagers en zij ook hebben ingestemd met de daarbij door Thailand gestelde voorwaarden. De klacht over art. 3 EVRM is daardoor kennelijk ongegrond. Datzelfde geldt voor de klacht over art. 5 EVRM, waarbij vooral is gesteld dat de veroordeling op flagrant oneerlijke gronden heeft plaatsgevonden. Hierbij herhaalt het Hof zijn vaste rechtspraak dat bij flagrant oneerlijke processen inderdaad reden kan bestaan voor de ontvangende staat om kritisch te staan tegenover een buitenlandse rechtsgang, maar dat het hierbij gaat om een heel strenge maatstaf waaraan niet snel zal zijn voldaan. In ieder geval vindt het Hof niet dat in het geval van de veroordelingen van klagers sprake is geweest van een zo vergaande schending van de rechten van art. 6 EVRM dat de vrijheidsberoving niet in overeenstemming kan worden gevonden met art. 5 EVRM.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/155
Permalink to this page
Back