HR (nr. 13/04247: Stapeling forfaits bij waardebepaling verhuurde woningen in box 3 onder omstandigheden niet toegestaan)

Authors
Publication date 2015
Journal NTFR. Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
Article number 1298
Volume | Issue number 2015 | 17
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende is eigenaar van een aantal verhuurde woningen. De huurders hebben recht op huurbescherming. Bij het bepalen van de box 3-grondslag is de inspecteur uitgegaan van de wettelijke regeling, te weten de WOZ-waarde (art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001) vermenigvuldigd met de leegwaarderatio (art. 17a, lid 2, Uitv.besl. IB 2001). Volgens belanghebbende pakt dit ongunstig voor hem uit, omdat de gehanteerde waarden hoger zijn dan de werkelijke waarden. Hof Amsterdam (NTFR 2013/1814) heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld, maar de Hoge Raad casseert de hofuitspraak. De Hoge Raad stelt voorop dat het wettelijke forfaitaire stelsel van box 3 in beginsel door de Europeesrechtelijke eigendomsrechtbeugel kan. Vervolgens zoomt de cassatierechter in op de sinds 2010 geldende regeling voor verhuurde woningen in box 3. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd de werkelijke waarde van verhuurde woningen te benaderen door aan de hand van de huuropbrengst een zogenoemde leegwaarderatio vast te stellen, uitgedrukt in een percentage van de WOZ-waarde. Volgens de Hoge Raad is een dergelijke forfaitaire regeling ter vaststelling van de werkelijke waarde van verhuurde woningen op zichzelf aanvaardbaar. Wanneer echter de uitwerking van dit forfait in het Uitv.besl. IB 2001 leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in art. 5.20, lid 3, Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad, moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat dan de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden. Van belang daarbij is dat hier sprake is van een stapeling van forfaits. Wanneer komt vast te staan dat de uit die stapeling voortvloeiende waardering van verhuurde woningen in betekenende mate, dat wil zeggen voor 10% of meer, hoger is dan de werkelijke waarde daarvan, wordt niet voldaan aan de doelstelling van de wetgever. Dan moet genoemd art. 17a Uitv.besl. IB 2001 buiten toepassing blijven en moet met de waardedruk als gevolg van verhuur van een woning rekening worden gehouden volgens de hoofdregels van box 3, namelijk door uit te gaan van de werkelijke WEV van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum. De belastingplichtige heeft van een en ander de bewijslast.

(Volgt vernietiging en verwijzing.)
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-1298
Permalink to this page
Back