EHRM (10511/10: Murray tegen Nederland)

Authors
Publication date 2014
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 74
Volume | Issue number 15 | 4
Pages (from-to) 217-219
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Murray is wegens moord op een zesjarig meisje in Curaçao veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, vooral omdat de rechters aannamen dat hij een gevaar voor de samenleving vormde en daarin niet hoorde terug te keren. Murray heeft verschillende malen een gratieverzoek ingediend, maar zonder succes. In 2011 is de wetgeving op Curaçao veranderd en is de mogelijkheid gecreëerd om na 20 jaar te verzoeken om herbeoordeling van een levenslange gevangenisstraf. Bij Murray is daarbij onderzocht of er reden zou zijn om de straf te bekorten, maar psychiatrisch onderzoek liet zien dat hij nog steeds een gevaar vormt. De straf is daarom voortgezet. Voor het EHRM klaagt Murray dat deze levenslange straf in strijd is met art. 3 EVRM, maar het Hof oordeelt dat het in beginsel aan de staat is om te bepalen of een levenslange straf wordt opgelegd en of dat redelijk is. Op grond van Vinter, waaruit het Hof de hoofdoverwegingen herhaalt, is het vooral belangrijk dat er een redelijk vooruitzicht is op herbeoordeling na een bepaald moment. Hoewel de regelgeving daarover pas in 2011 is ingevoerd, op het moment dat Murray al 30 jaar vastzat, vindt het Hof dat daardoor een voldoende mogelijkheid tot herbeoordeling is verschaft en het oordeelt bovendien dat die herbeoordeling goed is uitgevoerd. Er is dan ook geen sprake van strijd met art. 3 EVRM op dit punt.

De klacht over gevangenisomstandigheden is deels niet-ontvankelijk wegens niet-uitputting van rechtsmiddelen. Voor wat betreft de ontoereikende psychiatrische zorg geldt dat Murray onvoldoende concreet bewijs heeft aangevoerd om te laten zien dat daarvan sprake was. Een enkele verwijzing naar de algemene bevindingen in een CPT-rapport volstaat daarbij niet, zeker nu het Hof aanneemt dat in de gevangenissen waarin Murray heeft gezeten wel steeds psychiatrische zorg kon worden geboden. Geen schending art. 3 EVRM. Het Hof acht het opleggen van een levenslange gevangenisstraf ook niet is strijd met art. 5 EVRM. Bovendien herhaalt het zijn bevinding uit Kafkaris dat een verplichting tot tussentijdse herbeoordeling van de redelijkheid van de straf bij een levenslange gevangenisstraf ook niet kan worden afgeleid uit art. 5 lid 4 EVRM. Geen schending op dit punt.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2014/74
Permalink to this page
Back