EHRM (33917/12: Bède Djokaba Lambi Longa / Nederland)

Authors
Publication date 2013
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 23
Volume | Issue number 2013 | 1
Pages (from-to) 219-227
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Klager, van Congolese nationaliteit, is als getuige in het proces tegen Lubanga voor het Internationaal Strafhof opgeroepen en overgebracht naar Nederland, waar hij in detentie zit bij het Strafhof. Hij zat in de DRC vast op verdenking van medeplichtigheid bij de moord op negen VN-medewerkers. Klager vroeg bescherming tegen terugkeer naar de DRC aan het Strafhof en diende tevens een asielaanvraag in bij de Nederlandse autoriteiten op 1 juni 2011. Het Strafhof oordeelde op 24 augustus 2011 dat met de autoriteiten van de DRC afdoende afspraken waren gemaakt zodat terugkeer van klager niet afstuitte op de plicht tot bescherming van getuigen onder het Statuut van Rome. Wel schortte het Strafhof de terugkeer van klager naar de DRC op voor de duur van de Nederlandse asielprocedure. Een verzoek van het Strafhof om klager ten behoeve van de asielprocedure ook fysiek over te nemen werd door de Nederlandse autoriteiten afgewezen. De vreemdelingenrechter achtte zich onbevoegd om het beroep tegen detentie op grond van art. 59 Vreemdelingenwet te beoordelen, omdat art. 88 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof de toepassing van de Nederlandse wet op vrijheidsbeneming op last van het Strafhof uitsluit (ABRvS 22 maart 2012, LJN BW0617). De civiele rechter beval in de zaak van drie andere asielzoekende getuigen Nederland evenwel in overleg te treden met het Strafhof teneinde aan de situatie van onrechtmatige detentie een einde te maken (LJN BX8320).

Klager stelt bij het Hof dat hij onrechtmatig is gedetineerd op Nederlands grondgebied, zonder mogelijkheid zijn detentie aan te vechten. Het Hof stelt vast dat vlak voor de uitspraak van het Hof klager zijn asielverzoek heeft ingetrokken, waardoor strikt genomen de basis aan de klacht is komen te ontvallen en de zaak van de rol zou kunnen worden geschrapt. Dat doet het Hof echter niet omdat het gaat om een belangrijke problematiek waarover ook in Nederland onduidelijkheid bestaat, getuige de tegenstrijdige rechtspraak. Het is aan het Hof om ook in algemene zin uitleg te geven aan het EVRM. Het Hof benadrukt dat het eerder in Galic heeft vastgesteld dat door het aanvaarden van de vestiging van een internationaal gerechtshof op het grondgebied, niet automatisch rechtsmacht ontstaat over verdachten of getuigen. Nederland heeft dan ook geen jurisdictie om te beslissen over de detentie van klager. Daarnaast kan op basis van een toepassing van de Bosphorus-doctrine worden aangenomen dat de grondrechten van klager voldoende zijn beschermd. Evenmin kan klager vanwege het bij de Nederlandse autoriteiten ingediende asielverzoek bescherming aan het EVRM ontlenen, nu het recht om asiel te vragen geen recht op toelating tot Nederland of vrijlating impliceert. Het Hof verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/23
Permalink to this page
Back