HR (rolnummer 08/04581, LJN BN1402: toestemming andere echtgenoot bij hoofdelijk medeschuldenaarschap, certificering)

Authors
Publication date 2011
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 89
Volume | Issue number 2011 | 5
Pages (from-to) 448-460
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
De aandelen van Proper Controls BV (in het vervolg aangeduid met "de bv"), zijn gecertificeerd. De man is enig bestuurder van de Stichting AK Proper Controls. De bv heeft een kredietovereenkomst gesloten met de SNS-bank, waarvoor zich de man als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden zonder daarvoor toestemming aan zijn echtgenote te vragen. Nadat betaling van de termijnen van de geldlening achterwege is gebleven, eist de bank betaling van de man van ruim € 28.000,=.
De man verweert zich hiertegen met een beroep op het feit dat de vrouw de overeenkomst tussen hem en de bank heeft vernietigd.
De vordering van de bank wordt in beide feitelijke instanties toegewezen.
De Hoge Raad gaat hierin mee met een uitvoerig beroep op de totstandkomingsgeschiedenis van deze uitzonderingsbepaling ter gelegenheid van de aanpassing van Boek 1 BW in 1992. Destijds was de bedoeling van lid 5 om persoonlijke aansprakelijkheidsstellingen voor schulden van derden (zo vat ik de gevallen van art. 1:88 lid 1 onder c BW kort samen) steeds aan toestemming van de andere echtgenoot te onderwerpen als er sprake is van een complexe vennootschapsstructuur, zoals de wetgever het heeft uitgedrukt in de parlementaire geschiedenis (zie hierover en detail de conclusie bij dit arrest). Wanneer daar precies sprake van is, heeft de wetgever opengelaten. Een eerste invulling van dit criterium in de rechtspraak vinden we ten aanzien van holdingstructuren in het arrest Fortis-Kelders, HR 11 juli 2003, NJ 2994, 173, m.nt. WMK: mits in alle schakels is voldaan aan de eisen van lid 5, dan is geen toestemming nodig.
Thans rijst de vraag of dit anders is bij certificering. In casu was de man enig bestuurder van de Stichting AK waar de aandelen van de bv in waren ondergebracht. Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geoordeeld dat er geen sprake was van een ingewikkelde vennootschapsstructuur. Toestemming van de echtgenote voor de hoofdelijke aansprakelijkheidstelling voor de lening van de bv was om die reden niet nodig, aldus de Hoge Raad.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatpersonenenfamilierecht.sdu.nl/link/JUR/JPF/2011/89
Permalink to this page
Back