HvJ EU (rolnr. C-91/13: Eisen van tewerkstellingsvergunning voor door Duits bedrijf uitgeleende Turkse werknemers in strijd met vrij verrichten van diensten)

Authors
Publication date 2014
Journal Jurisprudentie Arbeidsrecht
Article number 262
Volume | Issue number 2014 | 15
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Hugo Sinzheimer Instituut (HSI)
Abstract
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aan Essent een boete opgelegd van € 264.000,= vanwege het laten verrichten van werkzaamheden door, onder meer, 29 werknemers van Turkse nationaliteit in de eerste helft van 2008, zonder dat Essent over een tewerkstellingsvergunning voor deze werknemers beschikte. De werknemers waren aan Essent uitgeleend door de Duitse onderneming Ekinci. Essent heeft beroep ingesteld tegen de boete. De Raad van State heeft vervolgens het HvJ EU prejudiciële vragen gesteld over de Associatieovereenkomst EEG-Turkije en daarop gebaseerde regelgeving.

Het HvJ EU overweegt dat de tussen de EU en Turkije overeengekomen standstill-bepalingen, inhoudende dat de EU en Turkije na de Associatieovereenkomst geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van legaal in de EU verblijvende werknemers, niet van toepassing zijn in onderhavig geval. De ene standstill-bepaling ziet alleen op het land van ontvangst, in casu Duitsland, en de andere geldt niet, omdat in onderhavig geval geen sprake is van enige economische activiteit tussen Turkije en Nederland. Het HvJ EU toetst echter ambtshalve ook aan de art. 56 en 57 VWEU inzake het vrij verrichten van diensten. Ook het ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een onderneming in een andere lidstaat valt binnen de reikwijdte van deze artikelen. Of de ter beschikking gestelde arbeidskrachten onderdanen zijn van een derde land is in dat verband irrelevant. Het vereisen van een tewerkstellingsvergunning vormt een inbreuk op het recht op het vrij verrichten van diensten. Omdat het hier een terrein betreft dat nog niet op Unieniveau is geharmoniseerd, kan een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd zijn als zij noodzakelijk is voor het algemeen belang en aan dit belang niet kan worden tegemoetgekomen op een minder beperkende manier. In onderhavig geval vormt het vereisen van een tewerkstellingsvergunning een te vergaande beperking. Om na te gaan of de vrijheid van dienstverrichting niet wordt gebruikt voor een ander doel dan het ter beschikking stellen van werknemers had de Nederlandse staat kunnen volstaan met het vragen van een eenvoudige verklaring over de aanwezigheid van de werknemers in Nederland, de vermoedelijke duur daarvan, de reden ervoor en het legale karakter ervan.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2014/262
Permalink to this page
Back