EHRM (rolnummer 60125/11: V.M. e.a. tegen België)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 197 |
| Volume | Issue number | 2015 | 10 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klagers zijn een Romagezin dat vanuit Servië eerst naar Frankrijk is getrokken om daar asiel aan te vragen. Hun asielverzoek is daar afgewezen en beweerdelijk zijn klagers toen teruggekeerd naar Servië, maar dat staat niet helemaal vast. In ieder geval zijn zij later aangekomen in België en hebben zij daar wederom asiel aangevraagd. Onder de Dublinverordening heeft België behandeling van het asielverzoek doorgeschoven naar Frankrijk en heeft het klagers in verband daarmee de toegang geweigerd. Daarbij is vanaf een bepaalde datum ook geen opvang meer geboden, ondanks het feit dat klagers kleine kinderen bij zich hadden, waarvan een kind aan een ernstige vorm van epilepsie leed. Klagers hebben daarop enkele weken in transit doorgebracht in de open lucht, eerst samen met een aantal andere Romafamilies, vervolgens op het station Brussel-Noord. Uiteindelijk zijn zij teruggekeerd naar Servië, waar zij eveneens in slechte omstandigheden verkeerden en waar uiteindelijk het dochtertje met epilepsie na een longontsteking is overleden. Voor het EHRM klagen zij over een schending van art. 3 EVRM in verband met de slechte leefomstandigheden en de ontbrekende opvang in België.
Het EHRM herhaalt dat aan de kwetsbare groep asielzoekers tenminste minimaal levensonderhoud en een onderkomen wordt geboden. Zulks geldt in het bijzonder indien het minderjarige of gehandicapte kinderen betreft, zoals in het onderhavige geval. Het EHRM wijst voorts op de verplichtingen die het HvJ EU heeft gelezen in de Opvangrichtlijn (Richtlijn 2003/9/EG), die ertoe strekken dat gedurende de gehele asielprocedure een minimale materiële ondersteuning moet worden geboden. Ook wijst het Hof erop dat het Europees Comité voor Sociale Rechten in 2012 heeft vastgesteld dat de opvang van asielzoekers in België niet voldeed aan de eisen van het Europees Sociaal Handvest. Weliswaar dateren deze oordelen van na de relevante feiten, maar voor een redelijke uitleg van de minimale voorwaarden onder art. 3 EVRM zijn ze niet minder belangrijk. Gelet op die omstandigheden en gelet op de relevante feiten van deze zaak constateert het Hof een schending van art. 3 EVRM (vijf stemmen tegen twee). Een schending van art. 2 EVRM kan het Hof niet vaststellen, omdat het causale verband niet kan worden aangetoond tussen het overlijden van het dochtertje en de omstandigheden in België. Wel stelt het Hof een schending vast van art. 13 EVRM (vier stemmen tegen drie), omdat de procedurele mogelijkheden in België om onmiddellijke uitzetting te verhinderen of te schorsen te beperkend, te complex en te langdurig zijn. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/197 |
| Permalink to this page | |
