Rechtbank Haarlem (Opheffing wettelijke gemeenschap van goederen)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2009 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 29 |
| Volume | Issue number | 2009 | 5 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Partijen zijn gehuwd in de gemeenschap van goederen in 2003. Tijdens een vakantie in augustus 2007 heeft de man de vrouw verlaten. Hoewel zij tijdens het huwelijk in welstand hebben geleefd, bleef de vrouw daarbij achter zonder financiƫle middelen. Om haar levensonderhoud te bekostigen heeft zij toen geld geleend van haar moeder. Voor de zekerheid had zij ook een flexibel krediet afgesloten, maar daarvan heeft zij nog niets opgenomen. Zij heeft daarnaast een eigen inkomen, maar dat is niet voldoende om de lopende kosten te dekken.
Op 27 augustus 2007 heeft de vrouw een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend en daarop is op 4 oktober 2007 een beschikking gegeven. Inmiddels heeft de man op 19 oktober 2007 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, dat kort na de zitting voorlopige voorzieningen wordt behandeld. De man verzoekt op 21 januari 2008 de rechtbank, de gemeenschap van goederen op te heffen. De man voert ter onderbouwing van de eisen voor het instellen van een dergelijk verzoek aan dat de vrouw allerlei leningen heeft afgesloten terwijl zij alimentatie ontvangt zowel voor haar als voor haar kind en hij nog andere rekeningen voor haar heeft betaald. Bovendien is hij bang dat de vrouw onvoldoende middelen reserveert om de verschuldigde inkomstenbelasting te voldoen. De vrouw geeft aan dat zij deze leningen wel moest sluiten, gezien het plotselinge vertrek van de man. Bovendien stelt zij dat zij wel voldoende reserveringen pleegt om de fiscus te kunnen voldoen. De rechtbank is niet van mening dat de vrouw lichtvaardig schulden zou maken en goederen van de gemeenschap zou verspillen. Naast de door hem gestelde inkomsten van de vrouw, stelt de man echter niet welke uitgaven de vrouw na 8 oktober 2007 heeft gedaan en of deze uitgaven - naast de vaste lasten van de echtelijke woning en de kosten van levensonderhoud - daadwerkelijk de gemeenschap hebben benadeeld. Nu vaststaat dat de vrouw geen geld van het flexibel krediet heeft opgenomen en na het afsluiten van dit krediet geen andere leningen heeft afgesloten, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen sprake is van een van de in art. 1:109 BW gestelde gronden die opheffing van de gemeenschap rechtvaardigen, zodat het verzoek van de man zal worden afgewezen. De rechtbank adviseert dat partijen ter voorkoming van het onnodig laten oplopen van schuldenlasten, de weg van het gezamenlijk overleg dienen te volgen. |
| Document type | Case note |
| Note | LJN 4209 |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2009/29 |
| Permalink to this page | |