HR (nr. C02/176HR)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2008 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 536 |
| Volume | Issue number | 2008 | 44 |
| Pages (from-to) | 5511-5513 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Arbeidsovereenkomst; ‘Agfa-criterium’: ‘gelijke arbeid, gelijk loon tenzij objectieve rechtvaardigingsgrond’; toetsing aan eisen goed werkgeverschap in geval van niet door de wet of rechtstreeks werkende verdragsbepaling verboden onderscheid; beginsel gelijke beloning doorslaggevend?; terughoudendheid rechter. Nieuwe feiten bij pleidooi; goede procesorde.
Bij de beoordeling van de vraag of de vliegers van KLC (een dochter van KLM) o.g.v. het ‘algemeen erkende rechtsbeginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze moet worden beloond, tenzij een objectieve rechtvaardigingsgrond een ongelijke beloning toestaat’ (Agfa-arrest) aanspraak kunnen maken op dezelfde arbeidsvoorwaarden wat betreft salaris en senioriteit als KLM-vliegers, moet worden vooropgesteld dat het in het onderhavige arrest niet gaat om een onderscheid dat door de wet of een rechtstreeks werkende verdragsbepaling wordt verboden. In het onderhavige geval kan de vraag of sprake is van een ongeoorloofd onderscheid dan ook slechts worden beantwoord aan de hand van de eisen van goed werkgeverschap op de voet van art. 7:611 BW, in welke bepaling de algemene eisen van redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in art. 6:2 en art. 6:248 BW voor het arbeidsrecht uitdrukking vinden. Bij de vaststelling wat de eisen van goed werkgeverschap voor een geval als het onderhavige inhouden, moet derhalve bedoeld beginsel ‘in aanmerking worden genomen’. Dit een en ander betekent dat dit beginsel — waaraan gelet op het feit dat het ook steun vindt in verdragsbepalingen als art. 26 IVBPR en art. 7 IVESCR, een zwaar gewicht kan worden toegekend — niet doorslaggevend is, maar dat het naast andere omstandigheden van het geval moet worden betrokken in de afweging of de werkgever in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap, terwijl voor een bevestigende beantwoording van deze vraag is vereist dat de ongelijkheid in beloning naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, hetgeen eens te meer geldt indien de ongelijke behandeling voortvloeit uit een collectieve arbeidsovereenkomst omdat dan tevens in het geding is het uit verscheidene verdragsbepalingen voortvloeiende zwaarwegende beginsel van de vrijheid van onderhandelen over arbeidsvoorwaarden. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van gelijke arbeid, kunnen niet alleen de arbeid zelf maar ook andere factoren, zoals opleiding, ervaring, geschiktheid voor een andere functie, worden betrokken. Aan art. 7 IVESCR komt geen rechtstreekse werking toe. De regels van een goede procesorde kunnen meebrengen dat de rechter feiten die eerst bij pleidooi zijn gesteld, terzijde kan laten op de grond dat de wederpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of dat zij een nader onderzoek nodig maken waarvoor het geding geen mogelijkheid meer biedt. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://www.kluwer.nl:80/deeplink/resolver.jsp?id=0003C1227 |
| Permalink to this page | |