Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden (rolnr. 200.126.374/01: toestemming schenking aan vriendin van echtgenoot, gevolgen vernietiging schenking, matiging)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 92 |
| Volume | Issue number | 2014 | 5 |
| Pages (from-to) | 516-521 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Partijen zijn gehuwd onder koude uitsluiting. Zij zijn ook vennoten van een vof die een kap- en schoonheidssalon drijft. De man heeft enige jaren een (platonische) relatie met een andere vrouw. In die tijd heeft de man aanzienlijke bedragen aan deze vriendin geschonken. Als zijn vrouw er achter komt, doet zij er een beroep op dat zij geen toestemming heeft gegeven voor deze schenkingen. Samen met haar echtgenoot vordert de vrouw vervolgens de giften terug van de vriendin, althans het deel dat aantoonbaar via de bank is overgemaakt. De rechtbank oordeelde dat het gaat om bovenmatige giften en heeft de vordering toegewezen: de vriendin moet € 28.500 met rente terugbetalen.
In hoger beroep klaagt de vriendin er onder meer over dat het wettelijke toestemmingsvereiste in dit geval niet van toepassing zou zijn, omdat de schenkingen zijn verricht via de bedrijfsrekening van de vof. Ook bepleit zij dat de vernietiging alleen het deel treft dat uitstijgt boven de grens waarop de schenkingen bovenmatig zijn. Het hof denkt daar anders over: de wet is juist bedoeld om in dit soort gevallen echtgenoten tegen zichzelf en tegen elkaar te beschermen. Indien de giften van de man aan zijn vriendin niet passen binnen de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van partijen, zijn deze giften immers juist aan te merken als rechtshandelingen waartegen de wet de vrouw wil beschermen. Na de vernietiging van de schenking konden zowel de man als de vrouw ieder voor zich of - zoals in dit geval - gezamenlijk een vordering instellen die is gebaseerd op het feit dat de betalingen onverschuldigd hebben plaatsgevonden na de vernietiging. De vernietiging treft het totaal van de giften én niet alleen het bovenmatige deel, zoals de vriendin bepleitte. Ook een beroep op gedeeltelijke vernietiging op grond van art. 3:53 BW dan wel de matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van art. 6:109 BW slaagt niet. Bij toewijzing van een vordering op grond van onverschuldigde betaling is er geen ruimte voor een belangenafweging, ook al beroept de vriendin zich op goede trouw ten aanzien van de giften en/of het feit dat ze niet in staat is om de bedragen terug te betalen. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/92 |
| Permalink to this page | |