HvJ EU (C-199/11: Europese Gemeenschap / Otis NV e.a.)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 3 |
| Volume | Issue number | 2013 | 1 |
| Pages (from-to) | 23-30 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In 2007 legde de Europese Commissie een boete van ruim 990 miljoen euro op aan de vier grootste Europese producenten van liften en roltrappen, Otis, Kone, Schindler en ThyssenKrupp, wegens schending van het Europese kartelverbod (art. 81 EG (oud), inmiddels vervangen door art. 101 VWEU). Terwijl het beroep tegen deze beslissing nog aanhangig was, stelde de Europese Commissie, als juridisch vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap, reeds een vordering in bij de Brusselse Rechtbank van Koophandel tot vergoeding van de door haar als afnemer van liften en roltrappen voor gebouwen van de Gemeenschap geleden schade als gevolg van de kartelafspraken. De Brusselse rechter legde vervolgens aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vragen voor of de Commissie bevoegd was de Gemeenschap in deze zaak te vertegenwoordigen en of art. 47 van het EU Handvest van de Grondrechten mogelijk in de weg stond aan de schadevergoedingsactie, nu de Commissie zelf verantwoordelijk was voor de vaststelling van de inbreuk op het mededingingsrecht waarop de schadevergoedingsvordering was gebaseerd.
Het HvJ EU oordeelt ten eerste dat de Commissie geen bijzondere autorisatie nodig had om in deze zaak in rechte voor de EG op te treden. Overeenkomstig art. 282 EG (inmiddels vervangen door art. 335 VWEU (nieuw)) had de Commissie de exclusieve bevoegdheid om de Gemeenschap voor de rechterlijke instanties van de lidstaten te vertegenwoordigen. Ten tweede belet art. 47 van het EU Handvest de Commissie niet een vordering in te stellen tot vergoeding van de schade die de Europese instellingen hebben geleden als gevolg van kartelafspraken die de Commissie zelf als schending van het mededingingsrecht heeft aangemerkt. In beginsel kan eenieder vergoeding vorderen van schade die in causaal verband staat tot een inbreuk op het mededingingsrecht, dus ook de EU. Bij uitoefening van dat recht dienen de fundamentele rechten van partijen gerespecteerd te worden. Het recht op effectieve rechtsbescherming ziet in dit geval op toegang tot de rechter en ‘equality of arms’. Het feit dat nationale rechters zijn gebonden aan de in een beschikking van de Commissie vastgestelde schending van het Europese mededingingsrecht brengt niet mee dat partijen geen toegang hebben tot een rechterlijke instantie. De EU-procedure betreffende toetsing van dergelijke Commissiebesluiten voorziet in de door het Handvest vereiste waarborgen. Daarbij komt dat het de taak van de nationale rechter blijft om te beoordelen of voldoende causaal verband tussen de kartelafspraken en de schade bestaat en derhalve vast te stellen of de schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Commissie is dus niet rechter en partij in eigen zaak. Tot slot is het beginsel van ‘equality of arms’ niet geschonden, nu de door de Commissie in de inbreukprocedure verzamelde informatie niet aan de Brusselse rechter in de huidige procedure is verstrekt en het EU-recht dit ook verbiedt. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/3 |
| Permalink to this page | |