Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem (rolnr. 200.127.946, 200.131.950: IPR-huwelijksvermogensrecht, rechtsmacht, toepasselijk recht: eerste gezamenlijke woonplaats)

Authors
Publication date 2014
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 93
Volume | Issue number 2014 | 5
Pages (from-to) 521-528
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Naar aanleiding van de echtscheiding is onder meer in geding de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van een Nederlandse man en een Indonesische vrouw en de partneralimentatie.

De rechter acht zich bevoegd om van het geschil aangaande deze nevenvoorzieningen kennis te nemen op grond van art. 4 lid 3 Rv indien aan de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toekomt met betrekking tot de echtscheiding. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de echtscheiding aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Niettemin oordeelt het hof ambtshalve dat ten aanzien van de echtscheiding op grond van art. 3 Verordening Brussel II-bis aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, aangezien de vrouw haar gewone verblijfplaats ten tijde van de indiening van het inleidende verzoek in Nederland had. Daarom heeft de rechter ook rechtsmacht ten aanzien van voormelde nevenvoorzieningen.

Ten aanzien van het toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime wordt het Haags huwelijksvermogensverdrag 1978 toegepast. Partijen hebben geen rechtskeuze uitgebracht. Daarom geldt volgens art. 4 lid 1 van het verdrag het interne recht van de staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. In casu moet worden vastgesteld waar die gewone verblijfplaats is gevestigd. Het hof overweegt het volgende.

Vooropgesteld zij dat het begrip ‘eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk’ een feitelijk begrip is. Van belang is niet alleen waar iemand feitelijk verblijft, maar ook hoe duurzaam dat verblijf is en daarnaast met welke intentie hij daar verblijft. Deze eerste gewone verblijfplaats dient binnen een redelijk korte termijn na de huwelijkssluiting te worden gevestigd. Bij de toepassing van de verdragsregel is het echter niet noodzakelijk dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats direct bij de huwelijkssluiting vestigen. Uit vaste rechtspraak volgt dat doorgaans een limiet van zes maanden wordt gesteld, met een voorbehoud voor uitzonderlijke situaties. De huwelijkssluiting tussen partijen heeft op 20 juni 2009 plaatsgevonden en partijen zijn als echtelieden met elkaar herenigd in de woning van de man in Duitsland eind maart 2010, dus na een periode van ruim negen maanden. Naar het oordeel van het hof is het vanaf het sluiten van het huwelijk van partijen hun bedoeling geweest zich te vestigen in de woning van de man in Duitsland. Weliswaar hebben partijen een groot deel van de eerste negen maanden na de huwelijkssluiting samen in Indonesië doorgebracht, maar de intentie van partijen was dat dit verblijf slechts een tijdelijk karakter had. Omdat partijen van plan waren zich te vestigen in de woning van de man in Duitsland, hebben zij tijdig, nog voor het huwelijk, bij het Duitse consulaat in Jakarta een visum voor de vrouw aangevraagd, aangezien de vrouw bij de man in Duitsland op bezoek wilde. Aan de hiervoor bedoelde intentie van partijen zich, zodra daartoe de benodigde formaliteiten (inburgeringscursus, verblijfsvergunning) waren vervuld, na het huwelijk definitief in Duitsland te vestigen doet niet af dat uiteindelijk het Nederlandse consulaat een visum heeft verstrekt en de vrouw vervolgens een Nederlandse verblijfsvergunning heeft gekregen. Eerst nadat de vrouw de inburgeringscursus met goed gevolg had voltooid en zij naar Europa mocht afreizen, heeft de vrouw zich bij haar echtgenoot in Duitsland gevoegd en zich aldaar gevestigd. Deze eerste gewone verblijfplaats van partijen is van enige duur geweest, namelijk van eind maart 2010 tot eind 2011. Na het verbreken van de samenleving is de vrouw naar Nederland gegaan. De man hield zijn gewone verblijfplaats in Duitsland. Het hof ziet Duitsland derhalve als de eerste en door partijen beoogde gewone verblijfplaats van partijen na hun huwelijk. Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een uitzonderlijke situatie. Juist ook omdat het hier gaat om het verankeren van een duurverhouding, rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof enig uitstel van de aanknoping. Het Duitse recht is van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen zodat er geen verdeling hoeft plaats te vinden.

Daarnaast oordeelt het hof nog over het verzoek tot partneralimentatie.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/93
Permalink to this page
Back