HvJ EU (rolnummer C-456/12: O. en B. tegen Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 136-137 |
| Volume | Issue number | 2014 | 7 |
| Pages (from-to) | 359-363 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In deze zaak, en de op dezelfde dag gewezen uitspraak in zaak C-457/12, gaat het om aanvragen voor een afgeleide verblijfsvergunning in Nederland voor familieleden uit derde landen van Nederlanders die tijdelijk in een andere lidstaat hebben verbleven of die in een andere lidstaat werken. De Raad van State stelde in deze zaak vragen omtrent de voorwaarden waaronder Richtlijn 2004/38 analoog dient te worden toegepast als burgers van de Unie naar de lidstaat van hun nationaliteit terugkeren en of daarbij een minimumduur van verblijf in de andere lidstaat geldt en zo ja, of er dan sprake moet zijn geweest van een aaneengesloten verblijf. Ook vraagt de Raad van State of mogelijke aanspraken op een verblijfsrecht vervallen als gevolg van een tijdsverloop tussen de terugkeer van de burger van de Unie en de overkomst van het derdelander familielid.
Het HvJ oordeelt met betrekking tot familieleden van terugkerende burgers dat een afgeleid verblijfsrecht op grond van art. 21, lid 1 VWEU kan worden gebaseerd, waarbij de voorwaarden in beginsel niet strenger mogen zijn dan die welke Richtlijn 2004/38 verbindt aan een afgeleid verblijfsrecht indien de burger van de Unie in een andere lidstaat verblijft. De nuttige werking van art. 21, lid 1 VWEU vereist dat in geval van een daadwerkelijk verblijf van de Unieburger in het gastland krachtens en onder eerbiediging van art. 7, leden 1 en 2 of art. 16, lid 2 van Richtlijn 2004/38 waarbij een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd, het gezinsleven kan worden voortgezet bij terugkeer naar de lidstaat van nationaliteit. De vraag omtrent het vervallen van een aanspraak wordt niet beantwoord omdat in het voorliggende geval de derdelander in het gastland niet de hoedanigheid had van familielid in de zin van art. 2, punt 2 van Richtlijn 2004/38. |
| Document type | Case note |
| Note | Tevens noot bij: HvJ EU. (2014, March 12), (C-457/12: S. & G. / Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=jurt&key=J83682 |
| Permalink to this page | |
