EHRM (nr 64752/01, LJN: BC0481: [de zaak Voskuil])

Authors
Publication date 2008
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 216
Volume | Issue number 2008 | 18
Pages (from-to) 2082-2084
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Institute for Information Law (IViR)
Abstract
Klager is een Nederlandse journalist. Met een collega schrijft hij in de krant Spits twee artikelen over een strafzaak waarin drie verdachten (waaronder Mink K.) wegens wapenhandel zijn veroordeeld. In het opsporingsonderzoek waren wapens in een woning aangetroffen naar aanleiding van de melding van een waterlekkage. Klager citeert in de artikelen een anonieme politieagent die suggereert dat de lekkage opzettelijk door de politie was veroorzaakt om toegang tot de woning te forceren. Bij de behandeling van de strafzaak in hoger beroep wordt klager opgeroepen als getuige. Op de vraag wat de identiteit van de politieagent was weigert hij te antwoorden, waarna hij onmiddellijk wordt gegijzeld. In een direct daarop volgend intern onderzoek ontkennen alle betrokken politieagenten onder ede ooit met klager contact te hebben gehad. Zeventien dagen later wordt de gijzeling opgeheven, nadat klager weer weigert te antwoorden, en komt de nationale rechter tot het oordeel dat het verhaal van klager onwaarschijnlijk is. Klager beroept zich op art. 10 en stelt dat zijn recht bronnen anoniem te houden, is veronachtzaamd.
Het EHRM overweegt dat bronbescherming een belangrijke voorwaarde voor persvrijheid is en dat bij aantasting van die bescherming men ervoor zal terugdeinzen de pers te voorzien van maatschappelijk relevante informatie. Het verwijst naar de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa nr. R (2000) 7 aangaande het recht van journalisten hun bronnen niet vrij te geven. Een grond dat recht opzij te zetten kan volgens die aanbeveling slechts zijn gelegen in een dwingende eis van maatschappelijk belang (§65).
Het EHRM komt niet toe aan een oordeel of het belang van een eerlijk proces voor de drie verdachten voldoende zwaarwegend is. Immers, zoals is gebleken, heeft de nationale strafrechter andere getuigen kunnen horen over datgene waarover klager heeft gepubliceerd (§67).
Ten aanzien van het belang de integriteit van het politiekorps te waarborgen wijst het EHRM erop dat de nationale rechter het verhaal van klager uiteindelijk heeft afgedaan als onwaarschijnlijk, en dat het publiek er juist belang bij heeft te worden geïnformeerd over onoirbaar handelen door het openbaar gezag (§ 70). Het komt tot de slotsom dat ook dat belang onvoldoende zwaarwegend is, en merkt daarbij op dat het getroffen is door de mate van dwang die de Nederlandse autoriteiten meenden te moeten toepassen om de identiteit van klagers bron te verkrijgen. Schending art. 10 (§ 74).
Voorts schending art. 5 lid 1 wegens nalaten tijdige betekening conform art. 224 Wetboek van Strafvordering (§ 83).
Concurring opinion Thomassen: Het is wenselijk dat er een nationaal rechtsmiddel komt, zodat de rechtmatigheid van de detentie ook na de invrijheidstelling kan worden getoetst. Voor zaken als de onderhavige moet gedacht worden aan een heroverweging van de rol van de Hoge Raad, hetzij door de Hoge Raad zelf, hetzij door de wetgever.
Document type Case note
Language Dutch
Permalink to this page
Back