HR (zaaknummer 14/00380: Reijnders-Louis/Ribama BV, Novitaris)

Authors
Publication date 2015
Journal Nederlandse Jurisprudentie
Article number 479
Volume | Issue number 2015 | 52
Pages (from-to) 6257-6296
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Deze zaak gaat over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris jegens een derde die de notaris verwijt dat hij zijn ministerie heeft verleend bij het transport van een onroerende zaak zonder dat de op de vervreemders jegens de derde rustende en aan de notaris bekende aanbiedingsplicht was geëindigd. Volgens deze aanbiedingsplicht, opgenomen in de akte op grond waarvan de onroerende zaak destijds aan de vervreemders door hun vader in eigendom werd geleverd, waren de eigenaren van het pand gehouden om alvorens tot vervreemding van hun aandelen in het pand over te gaan, die aandelen eerst aan te bieden aan hun vader voor de in de leveringsakte genoemde prijs. De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen heeft een klacht van de vader tegen de notaris gegrond verklaard en de maatregel van waarschuwing opgelegd. Eiseres tot cassatie vordert als gewezen echtgenote en enig erfgename van de inmiddels overleden vader ten behoeve van wie de aanbiedingsplicht gold, veroordeling van verweerders in cassatie tot vergoeding van de door de vader geleden schade als gevolg van schending van de op de notaris rustende zorgplicht. Anders dan de rechtbank, heeft het hof de vordering afgewezen, overwegende dat de van de notaris te vergen zorgvuldigheid niet zo ver gaat dat hij gehouden zou zijn om zich een zelfstandig oordeel te vormen over de vraag of de eigenaren van het pand tekort waren geschoten in de vervulling van hun aanbiedingsverplichting en, zo ja, om in afwijking van de in beginsel op hem rustende ministerieplicht zijn medewerking aan het verlijden van de transportakte te weigeren. Tegen dat oordeel keert zich het cassatiemiddel.
Art. 21 lid 1 Wna verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Hij dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 lid 2 Wna). Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan. De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen (HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2277, NJ 1996/627; HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1590, NJ 1996/628; HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1801, NJ 1996/629, m.nt. W.M. Kleijn (Curatoren THB)). Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen.
De belangen van derden zijn onder meer betrokken bij de verlangde ambtsverrichting indien deze betrekking heeft op de levering van een goed of de vestiging van een beperkt recht daarop, terwijl ook een derde ter zake van dat goed rechten kan doen gelden. In zodanig geval behoort de notaris zich terughoudend op te stellen. Indien de notaris aanleiding heeft te vermoeden dat sprake is van rechten van derden ter zake van het goed waarop de gevraagde dienstverlening betrekking heeft, dient hij daarover met partijen te overleggen en zo nodig nader onderzoek te doen, teneinde zich een oordeel te vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel behoort te vormen voor de beoogde levering of bezwaring. Van een zodanig beletsel is sprake indien de beoogd verkrijger geen rechtmatig belang heeft bij de levering of bezwaring, hetgeen het geval is indien het recht van de derde door een wettelijke regel als het sterkere recht wordt aangewezen, of indien de beoogd verkrijger onrechtmatig jegens de derde zou handelen door levering of bezwaring te verlangen. Voor dat laatste is niet voldoende dat de vervreemder met de levering of bezwaring wanprestatie pleegt jegens een derde (vgl. bijv. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740, NJ 2014/194).
Bij het voorgaande is van belang dat het de notaris, gelet op de in art. 22 Wna neergelegde geheimhoudingsplicht, niet is toegestaan zich tot de betrokken derde te richten, behoudens voor zover partijen hem daarvoor toestemming verlenen. Hij dient zijn onderzoek dan ook te verrichten op basis van informatie die hem door partijen wordt verschaft of hem anderszins ter beschikking staat. Gelet hierop en omdat de notaris niet over het instrumentarium beschikt voor een diepgaand feitenonderzoek, kan hij zich slechts een globaal oordeel vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring. Indien de voor de notaris kenbare feiten het oordeel rechtvaardigen dat het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring, dan wel aanleiding vormen tot gerede twijfel daarover, dan dient hij — tenzij de betrokken derde verklaart geen bezwaar te hebben tegen de levering of bezwaring — zijn ministerie te weigeren.
In het onderhavige geval staat vast dat de notaris voorafgaand aan de gevraagde ambtsverrichting op de hoogte was van de aanbiedingsplicht en het daaruit voortvloeiende recht van de vader. Ook staat vast dat de notaris geen uitsluitsel heeft gekregen over de voldoening door de eigenaren van het pand aan hun aanbiedingsplicht. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het heeft onderzocht of de notaris, toen werd verzocht ministerie te verlenen ter effectuering van de inmiddels tussen de eigenaren van het pand en de koper gesloten koopovereenkomst, tot het oordeel kon komen dat het recht van de vader geen beletsel opleverde om de beoogde levering van het pand aan de koper doorgang te laten vinden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt voorts dat niet doorslaggevend is of het de notaris bekend was dat de eigenaren van het pand door de levering van het pand aan de koper wanprestatie jegens de vader zouden plegen.
Bij het antwoord op de vraag of een beroepsbeoefenaar ter zake van de uitoefening van zijn taak uit onrechtmatige daad aansprakelijk is, kan de burgerlijke rechter betekenis toekennen aan het oordeel van de tuchtrechter over het gewraakte handelen. Aan het oordeel van de tuchtrechter dat in strijd is gehandeld met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels, kan echter niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de betrokkene civielrechtelijk aansprakelijk is wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm. (Vgl. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528, m.nt. C.C. van Dam in NJ 2008/529 (Vie d'Or)).
In het oordeel van het hof ligt besloten dat met de plicht van de eigenaren van het pand om hun aandelen in het pand bij een voorgenomen vervreemding eerst aan de vader aan te bieden (voor de in de leveringsakte genoemde prijs), nog geen sprake was van een recht op levering van de vader als bedoeld in art. 3:298 BW. Dat oordeel is juist.
Document type Case note
Language Dutch
Published at
Permalink to this page
Back