Onderwijs 2032: Onderzoek naar werkwijze en opbrengsten van de maatschappelijke dialoog Het proces van visie-ontwikkeling naar een toekomstgericht curriculum

Open Access
Authors
Publication date 02-2017
Number of pages 57
Publisher Amsterdam: Universiteit van Amsterdam
Organisations
  • Faculty of Social and Behavioural Sciences (FMG) - Research Institute of Child Development and Education (RICDE)
Abstract
Onder de naam Onderwijs 2032 werd in Nederland in 2015 een maatschappelijke curriculumdialoog gevoerd. Het betrof een integrale, breed gevoerde dialoog over de toekomst van het funderend onderwijs waaraan niet alleen het onderwijsveld maar ook andere belanghebbenden deelnamen. De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft Platform Onderwijs2032 bestaande uit acht leden uit het onderwijsveld, wetenschap en bedrijfsleven onder voorzitterschap van Paul Schnabel in het leven geroepen. Het Platform kreeg de opdracht om op grond van de onder andere een maatschappelijke dialoog tot een visie te komen op de kennis en de vaardigheden die leerlingen moeten opdoen met het oog op (toekomstige) ontwikkelingen in de samenleving.
Deze maatschappelijke dialoog is voor Nederland een unicum. Nooit eerder is in ons land een integrale curriculumdialoog (over alle onderwijssectoren, vakken, thema's heen) gevoerd. Het is goed om de gehanteerde werkwijze goed te documenteren, de ervaringen te verzamelen en lessen te trekken met het oog op curriculumontwikkelingsprocessen in de toekomst. Het onderzoek dat in dit rapport centraal staat hoopt hieraan een bijdrage te leveren.
In dit onderzoek stond de vraag centraal: "Hoe heeft het Platform Onderwijs2032 het proces en de inhoud van de maatschappelijke dialoog over de inhoud van het primair en voortgezet onderwijs benaderd en tot welke ervaringen en opbrengsten heeft de werkwijze van het Platform geleid?"

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden zijn documenten van het Platform Onderwijs2032 bestudeerd, is een aantal deelnemers aan de dialoog geïnterviewd en zijn hun bijdragen aan de maatschappelijke dialoog bestudeerd. Ook hebben observaties plaatsgevonden van (een beperkt aantal) bijeenkomsten die in het teken stonden van Onderwijs2032.
Het onderzoek is uitgevoerd vanuit het perspectief van curriculumontwikkeling. In het onderzoek is steeds het onderscheid gemaakt tussen de beoogde werkwijze en resultaten en de daadwerkelijk gerealiseerde werkwijze en resultaten. De kwalitatieve gegevens zijn aan de hand van een analysekader nader geanalyseerd. Dit analysekader is gebaseerd op de systematische en deliberatieve benadering van curriculumontwikkeling. Er werd onderscheid gemaakt tussen de verschillende fasen binnen de dialoogfase en de verschillende rollen die partijen speelden in de dialoog.
Tijdens de dialoog heeft het Platform Onderwijs2032 veel bijdragen ontvangen van uiteenlopende belanghebbenden. Afgaande op de rapporten van de analyses van bijdragen aan de maatschappelijke dialoog en op basis van online beschikbaar gestelde informatie op de website van het Platform kan gezegd worden dat het Platform in de korte tijd die het had om de opdracht van de staatssecretaris uit te voeren veel mensen heeft bereikt. Dat veel mensen met elkaar hebben gesproken over de inhoud van het onderwijs wordt door zowel het Platform als belanghebbenden genoemd als belangrijke opbrengst van de dialoog.
Op basis van de analyse van alle bijdragen aan de maatschappelijke dialoog heeft het Platform geconcludeerd dat er in hoofdlijnen een gedeeld beeld bestaat over kenmerken van toekomstgericht onderwijs. De formulering van de opdracht van de staatssecretaris, het proces dat voorafging aan de lancering van het Platform en de keuzes die het Platform heeft gemaakt gedurende het proces hebben gevolgen gehad voor de opbrengsten van de dialoog en de ervaringen van de belanghebbenden.
De oproep van de staatssecretaris was duidelijk: Iedereen kan meedenken. Niet alle belanghebbenden waren optimaal toegerust (tijd, middelen, netwerk, infrastructuur, kennis) om deel te nemen aan de maatschappelijke dialoog. De gekozen werkwijze van het Platform ten aanzien van betrekken van belanghebbenden en faciliteren van belanghebbenden om deel te nemen heeft invloed gehad op de intensiteit en het moment van de betrokkenheid van deelnemers.
Het Platform liet veel ruimte aan belanghebbenden om een eigen vorm te kiezen voor het gesprek over de vraag van het Platform. Het Platform beoogde zo eigenaarschap te behouden. Mede door de vormvrijheid kwam in de maatschappelijke dialoog niet alleen de inhoud aan de orde. Belanghebbenden brachten hun eigen thema’s in, zoals de inrichting van het onderwijs en de rol van de leraar bij curriculumontwikkeling. Dat niet alle belanghebbenden (meteen) gehoor gaven aan de oproep van het Platform om mee te denken kan te maken hebben met het feit dat niet alle belanghebbenden betrokken waren bij de formulering van de vraag aan de samenleving. Een in de samenleving gedeelde visie op de urgentie van het vraagstuk en een gedeeld eigenaarschap van de vraag en het antwoord werd tijdens de maatschappelijke dialoog wellicht onvoldoende ontwikkeld.
De opdracht aan het Platform ging vooral over het bepalen van een visie op de inhoud van het curriculum. De samenleving werd gevraagd om mee te denken over de vraag wat kinderen moeten kennen en kunnen als ze in 2032 van school komen. De door belanghebbenden aangedragen concrete invulling met betrekking tot de inhoud van het onderwijs, zagen de belanghebbenden niet altijd terug in het- abstractere- visiedocument dat het Platform in januari 2016 uitbracht.
Deliberatie was een belangrijk onderdeel van het proces. Uit de resultaten blijkt dat veel gesprekken tussen belanghebbenden en Platformleden, onder de achterban van belanghebbenden en tussen belanghebbenden onderling hebben plaatsgevonden. Over het algemeen kan gezegd worden dat het doel van de gesprekken, vooral in de dialoogfase meer was gericht op de uitwisseling van ideeën en meningen dan om in deze gesprekken tot een gemeenschappelijk antwoord op de specifieke vraag van de staatssecretaris te komen. De vormvrijheid speelde mogelijk een rol bij het gebrek aan afbakening van inhoud en gewenste uitkomst. De tweede fase, de consultatiefase, was wel meer gericht op verdieping en op het concreet toetsen van het voorstel bij belanghebbenden. De deliberatie over de input vanuit de samenleving is vooral door het Platform gevoerd. Hetzelfde geldt voor de daadwerkelijke visievorming. Hoewel de samenleving indirect bijdragen heeft geleverd aan de visievorming (de inbreng in de dialoog) en wel is geconsulteerd over de visie van het Platform (reacties op Hoofdlijn advies) is de visie toch vooral op basis van de deliberatie van het Platform tot stand gekomen.
ICT heeft in belangrijke mate de maatschappelijke dialoog ondersteund. Dankzij de inzet van ICT kon informatie over de inhoud en het proces worden gedeeld en konden belanghebbenden op een laagdrempelige manier worden betrokken bij de dialoog. Ook heeft de inzet van ICT-toepassingen bijgedragen aan de openheid van het proces. Tot slot heeft het Platform met behulp van ICT als analyse instrument een gedeelde visie wat betreft denkrichting kunnen ontwaren. Afgevraagd kan worden of de inzet van ICT een grotere rol had kunnen spelen bij de afbakening van de inhoud van de dialoog en bij het vergroten van transparantie en daardoor de legitimering van de uitkomsten van de dialoog.
Document type Report
Language Dutch
Downloads
Permalink to this page
Back