Hof Arnhem-Leeuwarden (nrs. 13/01194 en 13/01225: Inspecteur maakt hogere waarde van jachthaven voor de overdrachtsbelasting niet aannemelijk)

Authors
Publication date 2015
Journal NTFR. Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
Article number 1301
Volume | Issue number 2015 | 17
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende heeft in oktober 2010 een jachthaven met overdekte en buiten ligplaatsen gekocht inclusief ondergrond, water erf en toebehoren voor € 430.000 van I bv. Belanghebbende houdt middellijk alle aandelen van I bv. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting overgelegd van € 49.200, naar een heffingsmaatstaf van € 1.250.000. Deze waarde is gelijk aan de door de rijkstaxateurs getaxeerde waarde. Voorafgaand aan de koop is de onroerende zaak, in opdracht van belanghebbende, tweemaal getaxeerd voor respectievelijk € 450.000 en € 430.000. In 2012 is de onroerende zaak, eveneens in opdracht van belanghebbende, getaxeerd voor € 475.000. Rechtbank Noord-Nederland 17 oktober 2013, nr. 12/2754 (NTFR 2013/2478) heeft het beroep gegrond verklaard en de heffingsmaatstaf vastgesteld op € 600.000. In hoger beroep bepleit de inspecteur, op basis van het door hem overgelegde taxatierapport primair een waarde van € 1.210.000. In hoger beroep komt naar voren dat de in het taxatierapport van de inspecteur opgenomen referentieobjecten op diverse punten verschillen van de onroerende zaak en dat bij de taxatie maar beperkt rekening is gehouden met de staat van onderhoud van de onroerende zaak. Het hof komt tot het oordeel dat de opgevoerde referentieobjecten ongeschikt zijn voor de onderbouwing van de waarde, zodat alle hierop gebaseerde berekeningsmethoden de door de inspecteur gestelde waarde niet aannemelijk maken. De inspecteur maakt evenmin een lagere subsidiair bepleite waarde aannemelijk, aan de hand van indexering van de koopsom van de onroerende zaak uit 1987. Nu de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het vastgoed in het economische verkeer afwijkt van de tegenprestatie, heeft de inspecteur niet aan zijn bewijslast voldaan en dient voor de heffing van overdrachtsbelasting te worden uitgegaan van de feitelijk overeengekomen tegenprestatie.

(Hoger beroep ongegrond.)
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-1301
Permalink to this page
Back