HR (zaaknummer 14/02198: Verdeling (huwelijks)gemeenschap; verdeling gemeenschapsgoed (art. 3:178 BW); verdeling overgeslagen goed (art. 3:179 lid 2 BW); verjaring)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 334 |
| Volume | Issue number | 2015 | 37/38 |
| Pages (from-to) | 4099-4111 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Het huwelijk van eiseres tot cassatie (de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) is op 25 maart 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand. In een nadien opgemaakte notariële akte is vastgelegd dat het onroerend goed van partijen bij de scheiding en deling op 1 december 1991 aan de man is toegedeeld en dat de man aan de vrouw een bedrag wegens overbedeling heeft voldaan. De man heeft op 6 april 2011 de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. In deze procedure vordert de vrouw veroordeling van de man tot betaling van het haar toekomende aandeel van de reeds uitgekeerde pensioenbedragen en van de toekomstige, aan de man te betalen bedragen. Aan haar vordering legt zij ten grondslag dat de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten in de gemeenschap van goederen zijn gevallen en derhalve tussen partijen moeten worden verrekend. De man voert primair als verweer dat de vordering van de vrouw is verjaard. Rechtbank en hof hebben dit verweer gehonoreerd en de vordering afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen dat het er in de gegeven omstandigheden voor moet worden gehouden dat een verdeling van alle tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen heeft plaatsgevonden, zoals bedoeld in art. 3:179 lid 1 BW in samenhang met art. 3:178 BW, dat dit meebrengt dat de door de man voor de ontbinding van het huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten moeten worden beschouwd als een overgeslagen goed in de zin van art. 3:179 lid 2 BW, dat de vrouw in hoger beroep niet is teruggekomen van haar stelling dat een vordering tot verdeling van een overgeslagen goed aan verjaring onderhevig is, dat zij verder niet heeft bestreden dat de verjaringstermijn twintig jaar bedraagt en dat deze op het moment dat zij haar vordering indiende was verstreken. Het middel keert zich tegen deze oordelen.
Art. 3:178 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Uit de woorden ‘te allen tijde’ volgt blijkens de wetsgeschiedenis dat deze vordering tot verdeling niet kan verjaren. Art. 3:179 lid 2 BW bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:178 lid 1 BW en uit dien hoofde dus niet aan verjaring onderhevig. Daarbij is niet van belang of het desbetreffende goed opzettelijk of onbedoeld is overgeslagen. Het verweer van de man dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de pensioenrechten is verjaard, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld (i) dat de man en de vrouw het ook in hoger beroep erover eens zijn dat een vordering tot verdeling van een overgeslagen goed als bedoeld in art. 3:179 lid 2 BW ingevolge art. 3:306 BW verjaart na verloop van twintig jaar en dat het hof van dit uitgangspunt dient uit te gaan en (ii) dat de vrouw in hoger beroep niet is teruggekomen van haar standpunt dat een vordering tot verdeling van een overgeslagen goed aan een verjaringstermijn van twintig jaar onderhevig is, welke termijn was verstreken op het moment dat zij haar vordering indiende, en dat zij derhalve tegen de op die uitgangspunten berustende beslissing van de rechtbank geen grief heeft opgeworpen. De op het vorenstaande gerichte klacht die in het middel ligt besloten, is gegrond. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven. Nu het verweer van de man dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de pensioenrechten is verjaard, op een onjuiste rechtsopvatting berust, en de vrouw in hoger beroep is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat die vordering is verjaard, dient dit verweer van de man te worden verworpen. Verwijzing dient te volgen teneinde de overige verweren van de man te beoordelen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | |
| Permalink to this page | |