HR (nr. 43719: aftrekbaarheid kosten beursgang)

Authors
Publication date 2009
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 190
Volume | Issue number 2009 | 16
Pages (from-to) 2959-3000
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende (E NV) is op 31 december 1997 opgericht binnen een Spaans hotelconcern, met het oog op een herstructurering en het door middel van een beursgang van belanghebbende aantrekken van financiële middelen voor een uitbreiding van de activiteiten in Latijns Amerika. Nadat in belanghebbende tegen uitreiking van aandelen liquide middelen en niet in de EU of EER gevestigde deelnemingen zijn ingebracht, heeft de beoogde beursgang in 1998 plaatsgevonden. Daarbij zijn deels nieuw uitgegeven aandelen in belanghebbende op de beurs geïntroduceerd en deels herplaatste bestaande aandelen. In geschil is onder meer de aftrek van de kosten die de beursgang heeft opgeroepen.
HR: Tot de aftrekbare oprichtingskosten en kosten van wijziging van kapitaal behoren de aan banken of een emissiesyndicaat betaalde provisies voor bij een emissie van aandelen verrichte financiële dienstverlening. Dit is niet anders indien de emissie (zoals in dit geval) zou moeten worden aangemerkt als een zogenoemde overgenomen emissie.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de met de emissie verworven middelen in een voldoende specifiek verband stonden tot deelnemingen van belanghebbende om de kostenaftrekbeperking van artikel 13, eerste lid, Wet Vpb. 1969 (tekst 1998) van toepassing te achten en dat deze conclusie eveneens geldt voor de stelling van de Inspecteur dat sprake zou zijn van aankoopkosten van deelnemingen. In cassatie klaagt de minister dat het onredelijk is de bewijslast dat sprake was van aankoopkosten van deelnemingen op de Inspecteur te leggen, gelet op de gebrekkige manier waarop belanghebbende volgens de minister de kosten van de beursgang had verbijzonderd.
HR: Die klacht faalt. Het Hof heeft de stelling van de Inspecteur afgewezen dat belanghebbende niet heeft voldaan aan haar administratieverplichting. De door het Hof in dat kader gegeven oordelen over de wijze waarop belanghebbende haar administratie had ingericht, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Verder was in geschil welk deel van de kosten ter zake van de beursgang diende te worden doorbelast aan de aandeelhouders van belanghebbende. Het Hof heeft, gelet op de onderlinge verwevenheid van de activiteiten die uiteindelijk tot de beursgang hebben geleid, het vermoeden gerechtvaardigd geacht dat van de kosten niet een groter gedeelte van nut is geweest voor de door belanghebbende gedreven onderneming dan pro rata aan haar is toe te rekenen in de verhouding nieuw uitgegeven aandelen ten opzichte van het totale aantal op de beurs gebrachte aandelen. Belanghebbende is er volgens het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat een groter deel van de kosten aan haar moet worden toegerekend. Deze conclusie geldt niet alleen voor de zogenoemde directe kosten, maar voor ook de in geschil zijnde indirecte kosten van de beursgang. Het deel van de kosten dat door belanghebbende ten onrechte niet is doorbelast aan haar aandeelhouders is door het Hof aangemerkt als een onttrekking, waarbij volgens het Hof in het midden kan blijven of tevens sprake is van een uitdeling.
HR: ’s Hofs oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste verdeling van de bewijslast en zijn voor het overige verweven met waarderingen van feitelijke aard.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://www.kluwer.nl/cl2/toc_docpopupbyIOframeset.jsp?namepopup=1288023584367&gc=WKNL-KL-PNP-96062708&scenario=tab1_96062708&link=119479934
Permalink to this page
Back