EHRM (24147/11: I. / Nederland)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 19 |
| Volume | Issue number | 2013 | 1 |
| Pages (from-to) | 199-202 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De Afghaanse man I. vraagt in 1999 samen met zijn vrouw en kinderen asiel in Nederland. Zijn aanvraag wordt afgewezen op grond van de in art. 1F van het 1951 Vluchtelingenverdrag geformuleerde uitsluitingsgronden, omdat I. officier is geweest in de inlichtingendienst van het voormalige communistische bewind in Afghanistan (KhAD/WAD). Volgens art. 1F komen personen ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij een internationaal misdrijf hebben begaan niet in aanmerking voor een vluchtelingenstatus. I. wordt tevens ongewenst verklaard, wat onder andere tot gevolg heeft dat verblijf in Nederland strafbaar is (art. 197 Sr). De minister besluit echter ook dat I. ingevolge art. 3 EVRM niet kan worden uitgezet naar Afghanistan, vanwege een reëel risico op mishandeling aldaar.
I. klaagt bij het Hof dat de verblijfsrechtelijke gedoogsituatie en uitsluiting van sociale voorzieningen en toegang tot de arbeidsmarkt een strijd opleveren met art. 3 en 8 EVRM. Bij beslissing van 19 oktober 2011 werd zijn klacht onder art. 3 EVRM niet-ontvankelijk verklaard («EHRC» 2012/51 m.nt. Van Roemburg). Het Hof hield toen de klacht onder art. 8 EVRM aan, omdat het een schriftelijke reactie van de Nederlandse overheid dienaangaande wilde afwachten. Het Hof verklaart nu ook de klacht onder art. 8 EVRM niet-ontvankelijk. De Nederlandse overheid heeft geen oneerlijke balans getroffen tussen het algemene belang en het belang van I. van rechtmatig verblijf met zijn familie in Nederland. Omdat I. niet naar Afghanistan uitzetbaar is, is feitelijke scheiding van zijn familie thans niet aan de orde. Bovendien is geen strafvervolging tegen I. ingesteld op grond van verblijf in Nederland in strijd met zijn ongewenstverklaring. Ook de financiële situatie van I. noopt niet tot een andere conclusie, omdat art. 8 EVRM geen recht op werk verzekert en omdat van nadelige financiële gevolgen voor de echtgenote van I. niet is gebleken. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/19 |
| Permalink to this page | |
