HR (zaaknr. 11/05002, LJN BY6925: lijfrenten en pensioenrechten jegens BV met slechte dekkingsgraad, afkoop belastingvrij deel saldolijfrente is in wezen ook afkoop overige aanspraken)

Authors
Publication date 2013
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 83
Volume | Issue number 2013 | 8
Pages (from-to) 1532-1543
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende is gepensioneerd. Hij was in 2003 bestuurder van een BV. De aandelen van de BV waren in handen van zijn drie kinderen. In 1998 is een vordering van belanghebbende op de BV omgezet in een aanspraak op een saldolijfrente, ingaande op 1 juli 1998 en uit te keren aan belanghebbende en zijn echtgenote tot het overlijden van de langstlevende. Daarnaast had belanghebbende nog drie aanspraken jegens de BV: een in 1999 ingegaan pensioenrecht en twee aanspraken op een gefacilieerde lijfrente. Per 1 januari 2003 bedroeg het totaal van de verplichtingen van de BV € 678.301 waartegenover bezittingen tot een bedrag van € 363.174 stonden. In 2003 is belanghebbende met de BV overeengekomen dat de saldolijfrente per 1 januari 2003 wordt omgezet van een levenslange naar een tijdelijke lijfrente, eindigend uiterlijk op 1 april 2008. Belanghebbende ontving hierbij een afkoopsom van € 218.430. In 2004 zag belanghebbende af van het restant van de saldolijfrente. In verband met de slechte solvabiliteit en liquiditeit van de BV bedong hij hiervoor geen vergoeding. De BV kon begin 2009 niet langer aan haar resterende verplichtingen jegens belanghebbende voldoen en is in 2010 geliquideerd.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende met de gedeeltelijke afkoop van de saldolijfrente in wezen ook de overige - belaste - aanspraken (gedeeltelijk) heeft afgekocht.
HR: Het Hof heeft zijn oordeel aldus gemotiveerd dat door de uitkering van de afkoopsom het beschikbare vermogen van de BV zodanig werd aangetast dat niet te verwachten was dat de BV nog aan haar resterende verplichtingen zou kunnen voldoen, zodat de uitkeringen uit de overige aanspraken door die uitkering substantieel werden aangetast, zo niet illusoir werden. Deze motivering is voldoende en niet onbegrijpelijk. In het oordeel van het Hof ligt kennelijk tevens het oordeel besloten dat bij de bepaling van de afkoopsom van de saldolijfrente belanghebbende substantieel meer heeft ontvangen dan de werkelijke waarde daarvan. Daaraan heeft het Hof blijkbaar de gevolgtrekking verbonden dat in de afkoopsom mede een vergoeding was begrepen voor de substantiële waardedaling van belanghebbendes overige aanspraken jegens de BV die optrad als gevolg van de betaling van de afkoopsom. Hiervan uitgaande getuigt ’s Hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C23211&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back