EHRM (rolnummer 62892/12: Akram Kamirov tegen Rusland)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 178 |
| Volume | Issue number | 2014 | 8 |
| Pages (from-to) | 471-472 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager komt oorspronkelijk uit Oezbekistan en woont in Rusland. In Oezbekistan wordt hij gezocht vanwege lidmaatschap van een moslimfundamentalistische organisatie, in verband waarmee een uitleveringsverzoek aan Rusland wordt gericht. Dat verzoek wordt uiteindelijk afgewezen na een procedure waarbij klager in voorarrest wordt gehouden, omdat het zou gaan om aanklachten waarvoor in Rusland geen strafbaarstelling geldt. Wel wordt klager vervolgens in administratieve detentie genomen omdat hij zonder geldige verblijfsvergunning in Rusland was. Daarbij werd uiteindelijk besloten dat hij vanwege het ontbreken van die verblijfsvergunning naar Oezbekistan zou moeten worden uitgezet. Een asielverzoek van klager, die vreesde bij terugkeer naar Oezbekistan te worden onderworpen aan foltering en vervolging vanwege zijn religie, werd verworpen omdat daarvoor onvoldoende bewijs zou bestaan. Vervolgens werd de administratieve detentie met het oog op uitzetting verlengd omdat het Hof een interim-maatregel oplegde om te voorkomen dat klager zou worden uitgezet.
Het Hof stelt ten aanzien van de voorgenomen uitzetting voorop dat de mensenrechtensituatie in Oezbekistan in algemene zin buitengewoon problematisch is, zeker voor mensen die zich bevinden in de positie van klager, dus die worden vervolgd vanwege lidmaatschap van een religieus-fundamentalistische organisatie. De nationale autoriteiten hebben de risico’s van uitlevering volgens het Hof onvoldoende uitgebreid en zorgvuldig beoordeeld. Uitzetting zou in strijd komen met art. 3 EVRM. Vervolgens oordeelt het Hof over de verschillende perioden van het voorarrest voor de uitlevering en de administratieve detentie voor de uitzetting en komt daarbij afhankelijk van de precieze omstandigheden tot verschillende conclusies. In enkele gevallen was de detentie rechtmatig, in andere gevallen was die in strijd met het nationale recht of was deze te lang. Dit laatste geldt vooral voor de periode van administratieve detentie met het oog op uitzetting, die steeds is verlengd vanwege de interim-maatregel van het Hof. Volgens het Hof kan dit niet de bedoeling zijn van een interim-maatregel en hadden de autoriteiten tenminste moeten bekijken of er nog andere mogelijkheden waren geweest. Daardoor is sprake van strijd met art. 5, eerste lid, onder f EVRM en, vanwege de onvoldoende zorgvuldige nationale beoordeling, ook met art. 5, vierde lid EVRM. De overige klachten, onder meer over onvoldoende informatievoorziening over de redenen van detentie, wijst het Hof af als kennelijk ongegrond. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=jurt&key=J84223 |
| Permalink to this page | |
