Hof Den Haag (rolnr. 200.092.575: verdeling huwelijksgoederengemeenschap, discretionaire bevoegdheid rechter, gelijke draagplicht gemeenschapsschulden, regres)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie personen- en familierecht |
| Article number | 140 |
| Volume | Issue number | 2014 | 8 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap rijzen meerdere geschillen. Het hof begint met het schetsen van het wettelijk kader van de verdeling door de rechter. Indien de rechter op basis van art. 3:185 BW de verdeling dient vast te stellen moet hij naar billijkheid rekening houden met zowel de belangen van partijen als met het algemene belang. De rechter heeft ter zake van de door hem vast te stellen (wijze van) verdeling een discretionaire bevoegdheid. Voorts kan de rechter slechts verdelen de goederen die op de peildatum - 14 januari 2008 - tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren. De rechter kan geen schulden verdelen, aangezien een schuld geen goed is en voor de overgang van schulden de medewerking nodig is van de crediteur.
Wat betreft de draagplicht geldt als hoofdregel dat beide echtgenoten in beginsel gelijk draagplichtig zijn. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Indien na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap een ex-echtgenoot meer dan de helft van een gemeenschapsschuld betaalt, verkrijgt deze ex-echtgenoot een regresvordering op de andere ex-echtgenoot. Deze regresvordering wordt derhalve niet in de verdeling betrokken aangezien de vordering is ontstaan na het tijdstip van de ontbinding van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. Vervolgens overweegt het hof ten aanzien van een aantal betwiste posten onder meer het volgende: Ten aanzien van de draagplicht voor de huurschuld overweegt het hof dat er geen reden is om af te wijken van de draagplicht van elk van partijen voor de helft, ook al heeft de man als (mede)huurder sinds 2006 niet meer in de woning gewoond. Ten aanzien van een schuld van de man aan zijn ouders wordt vastgesteld dat er geen reden is om van de wettelijke hoofdregel al te wijken, ook al wist de vrouw niets van die schuld af. Ook is niet komen vast te staan dat de geleende gelden voor de financiering van de verkrijging van privégoederen zijn aangewend. Aangezien in de casus art. 1:102 BW oud van toepassing is, geldt dat indien de ouders van de man een vordering op de man hadden op de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, zij een wettelijke aanspraak op de vrouw hebben voor de helft van de schuld. In het geval de man meer dan de helft van een gemeenschapsschuld heeft betaald, ontstaat er een regresvordering van de man op de vrouw. In het kader van de vaststelling van de verdeling ex art. 3:185 BW is zulks niet relevant. Als er op de peildatum een schuld is aan de ouders van de man dient deze schuld door beide partijen te worden gedragen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2014/140 |
| Permalink to this page | |