Rb. Amsterdam (HA ZA 13-1715: DSB Bank: DNB niet aansprakelijk voor als gevolg van faillissement van DSB geleden schade)

Authors
Publication date 2015
Journal Jurisprudentie Onderneming & Recht
Article number 206
Volume | Issue number 2015 | 7-8
Pages (from-to) 2188-2210
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van DNB gaat het niet om de vraag of DNB destijds onder de gegeven omstandigheden andere of betere keuzes had kunnen maken. Voor het oordeel dat DNB onrechtmatig heeft gehandeld, is slechts ruimte indien DNB in redelijkheid niet tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen (HR 12 oktober 2006, «JOR» 2006/295, m.nt. Busch (Vie d’Or); HR 21 november 2014, «JOR» 2015/11, m.nt. Van Tilborg). Hierbij moet worden opgemerkt dat aan de toezichthouder voldoende ruimte moet worden gelaten om problemen die zich in de loop van het toezicht voordoen te adresseren met instrumenten die de toezichthouder, gelet op de aard van de sector en het toezicht en de overige omstandigheden van het geval, passend acht. Een toezichthouder kan onder omstandigheden in redelijkheid tot het oordeel komen dat een keuze voor informele instrumenten, in plaats van een beroep op wettelijke bevoegdheden, de voorkeur verdient.

De rechtbank onderschrijft het argument van DNB, dat curatoren c.s. in algemene zin en met betrekking tot verschillende punten in het dossier te veel gewicht toekennen aan de omstandigheid dat DSB Bank uiteindelijk in staat van faillissement is geraakt. Uit dit laatste kan op zichzelf immers niet worden afgeleid dat DNB de gestelde fouten heeft gemaakt. Omstandigheden die eind 2009 bij de deconfiture een rol hebben gespeeld, zijn achteraf veelal te herleiden tot oorzaken die al vele jaren regelmatig onderwerp van gesprek waren tussen DNB en DSB Bank. Dit betekent echter niet dat het toezicht van DNB reeds daarom zou hebben gefaald. DNB kan er niet voor instaan dat de onder toezicht staande instellingen niet failliet gaan. De rechtbank kan zich bij bestudering van de stellingen van partijen verder niet aan de indruk onttrekken dat DNB in de loop van de jaren haar koers heeft bepaald in overeenstemming met haar gangbare werkwijze in het toezicht met betrekking tot andere financiële instellingen. Een enkel woord, een suggestie in de marge van een vergadering, een subtiele opmerking: van oudsher hadden financiële instellingen in Nederland, zeker die van enige omvang en betekenis, hieraan genoeg, waarna alle passende maatregelen direct werden getroffen en nog eens bij DNB werd nagevraagd of er nadere wensen waren. Het toezicht was terughoudend en subtiel maar effectief. Bij DSB Bank was de cultuur, zo bleek in de loop van de jaren, anders. Evenwel kan niet worden gezegd dat DNB reeds in een vroeg stadium had moeten begrijpen dat bij DSB anders dan gebruikelijk een hardere aanpak van meet af aan geïndiceerd was, en dus in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat de gehanteerde instrumenten geschikt waren. Uit hetgeen de curatoren c.s. hebben aangedragen volgt niet dat DNB op de bijzondere cultuur van DSB Bank en handelwijze van [naam 1], die zich vanaf eind 2007 en vooral in de loop van 2009 heeft gemanifesteerd, in een (veel) eerder stadium bedacht had moeten zijn.

Voorts is niet komen vast te staan dat DNB ter zake van de vergunningverlening in 2005 in redelijkheid niet tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen.

Ter zake van het door DNB uitgeoefende toezicht is evenmin komen vast te staan dat DNB in redelijkheid niet tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen en dat ook overigens is gesteld noch gebleken dat andere in het kader van het toezicht te maken keuzes de door curatoren c.s. en de gezamenlijke schuldeisers van DSB Bank als gevolg van het faillissement van DSB Bank geleden schade hadden kunnen voorkomen.

Tussen de haircut op de kredietfaciliteiten van DNB aan DSB en de volgens curatoren c.s. geleden schade bestaat geen causaal verband. Immers, ook zonder de haircut zou DSB Bank failliet zijn gegaan en was een "zachte landing" niet mogelijk geweest.

Van een schending van enige algemene zorgvuldigheidsnorm door DNB is geen sprake. De stellingen van curatoren c.s. kunnen, ook indien zij in onderling verband worden beschouwd, niet tot een ander oordeel leiden.

De slotsom is dat geen goede gronden bestaan DNB aansprakelijk te houden voor enige door de curatoren c.s. en de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van het faillissement van DSB Bank geleden schade. De vorderingen zullen worden afgewezen.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JOR/2015/206
Permalink to this page
Back