Hof Amsterdam (OK) (rolnummer 200.161.880/01 OK: Oprichting COR en indiening adviesaanvraag over sluiting één van de twee vestigingen op dag na oprichting, Besluit niet kennelijk onredelijk)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 204 |
| Volume | Issue number | 2015 | 11 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Het bedrijf Tjoapack heeft twee productielocaties: één in Emmen en één in Etten-Leur. Bij beide vestigingen is een ondernemingsraad ingesteld. Op voorstel van de ondernemer is op 28 oktober 2014 een COR geïnstalleerd. In de COR hebben vijf OR-leden zitting genomen: twee uit Emmen en drie uit Etten-Leur. Op de dag na de installatie, 29 oktober 2014, heeft de ondernemer bij de COR een adviesaanvraag ingediend over sluiting van de vestiging te Emmen. De COR heeft hiermee ingestemd met twee stemmen tegen en drie stemmen vóór. De OR van de vestiging Emmen heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en heeft aangevoerd dat het besluit tot sluiting van Emmen aan hem had moeten worden voorgelegd en niet aan de COR. De COR zou zijn ingesteld om de OR Emmen buiten spel te zetten.
De Ondernemingskamer verwerpt het beroep van de OR. Het besluit tot sluiting van Emmen is genomen door beide vestigingen en door de aandeelhouder. Weliswaar zijn de gevolgen van het besluit voor de medewerkers van Emmen verstrekkender dan voor de medewerkers van Etten-Leur, maar dat neemt niet weg dat sprake is van een gemeenschappelijk belang. Sluiting van Emmen leidt tot een structurele besparing en tot een aanzienlijke uitbreiding van de activiteiten en medewerkers van Etten-Leur. Er doen zich geen omstandigheden voor die meebrengen dat ook afzonderlijk advies had moeten worden gevraagd aan de OR Emmen. Het feit dat de COR mede met het oog op de besluitvorming over de sluiting van Emmen is ingesteld, betekent niet dat sprake is van misbruik van recht. Het feit dat de COR uit drie leden van Etten-Leur en twee leden van Emmen bestaat, is niet onbegrijpelijk, gelet op de verdeling van de aantallen werkzame personen over de twee vestigingen. De Ondernemingskamer is wel van mening dat het medezeggenschapstraject op diverse punten mankementen vertoont, vooral waar het gaat om de late toezending van een concept sociaal plan, de op de COR gelegde tijdsdruk, de niet-consistente visie van de ondernemer op de rolverdeling tussen COR en vakbond en de beperkte informatie over de voorgenomen maatregelen ter opvang van de sluiting. Dit zijn echter punten waarover de COR had kunnen klagen in plaats van de OR en die daarom in onderhavige procedure verder niet aan de orde zijn. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2015/204 |
| Permalink to this page | |