Europees Comité voor Sociale Rechten (rolnr. nr. 47/2008: [Defence for Children International tegen Nederland])

Open Access
Authors
Publication date 2010
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 55
Volume | Issue number 2010 | 5
Pages (from-to) 659-672
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Op basis van het Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest betreffende een systeem voor collectieve klachten (het Protocol) heeft Defence for Children International (DCI) op 4 februari 2008 een collectieve klacht tegen Nederland bij het Europese Comité voor Sociale Rechten (ECSR) ingediend. De klacht had betrekking op huisvesting en noodopvang voor illegale kinderen. In Nederland geldt het ‘koppelingsbeginsel’, wat inhoudt dat de aanspraak op verstrekkingen en voorzieningen van overheidswege - dus ook huisvesting - gekoppeld wordt aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het resultaat hiervan is dat niet legaal in Nederland verblijvende kinderen door dit beginsel op straat kunnen belanden. De vraag was of dit in overeenstemming was met het herziene Europees Sociaal Handvest (ESH). Op 23 september 2008 heeft het ECSR de klacht ontvankelijk verklaard.

In het onderzoek betreffende de gegrondheid van de klacht buigt het ECSR zich allereerst over de vraag of de relevante artikelen van het herziene ESH van toepassing kunnen zijn op niet-legaal in Nederland verblijvende kinderen. Daarna toetst het ECSR de wetgeving en het beleid van Nederland, met betrekking tot kinderen die op deze manier op straat kunnen belanden, aan het herziene ESH.

In zijn beoordeling concludeert het ECSR dat par. 1 van de Bijlage bij het herziene ESH inzake de werkingssfeer met betrekking tot de te beschermen personen (Bijlage) zodanig moet worden geïnterpreteerd dat bepaalde artikelen ook van toepassing kunnen zijn op illegale kinderen vanwege hun kwetsbare positie. De onderbouwing hiervan steunt op verschillende interpretatiemethodes zoals opgenomen in art. 31 van het Weens Verdragenverdrag (WVV), de ‘living instrument’-doctrine en de effectieve interpretatieleer. Daarnaast is ook een eerdere uitspraak van het ECSR in FIDH t. Frankrijk (nr. 14/2003) van belang geweest. Hier had het ECSR namelijk bepaald dat par. 1 van de Bijlage niet de aanspraak van illegalen op medische hulp in de weg kon staan. Met het inroepen van deze uitspraak bevestigt het ECSR dat zijn interpretatie in FIDH t. Frankrijk de huidige geldende interpretatie van het herziene ESH is en benadrukt het de rolverdeling tussen het ECSR en het Comité van Ministers met betrekking tot het toezicht op de naleving van het herziene ESH. Voorts stelt het ECSR dat het VN Kinderrechtenverdrag een rol kan spelen bij de toepassing van het herziene ESH. Met name het belang van het kind-principe speelt bij de beoordeling van de werkingssfeer en de toetsing van het Nederlandse beleid een rol.

Het ECSR concludeert dat art. 31, tweede lid, met betrekking tot het voorkomen van dakloosheid van kinderen, en art. 17, eerste lid, onder c, met betrekking tot bescherming en speciale hulp voor het kind, van toepassing zijn op illegale kinderen en dat Nederland deze rechten heeft geschonden.

Schending art. 31, tweede lid, en art. 17, eerste lid, onder c, van het herziene ESH.
Document type Case note
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2010/55
Downloads
334526.pdf (Final published version)
Permalink to this page
Back