HvJ EU (rolnr. C-83/13: Vakbondsacties op schip met Noorse eigenaar maar varend onder Panamese vlag, Toets of EEG-verordening van toepassing is)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 198 |
| Volume | Issue number | 2014 | 11 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Fonnship is een vennootschap naar Noors recht. In de voor dit geding relevante periode was zij eigenaar van het schip M/S Sava Star. Dit schip legde voornamelijk trajecten af tussen staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst (Europese Economische Ruimte). Het schip voer onder Panamese vlag. De bemanning bestond uit Poolse en Russische werknemers. Volgens Fonnship werden de lonen van de bemanning beheerst door een cao die zij had gesloten met een Russische vakbond. De Zweedse vakbond in de transportsector (ST) meende echter dat Fonnship geen redelijke lonen betaalde. Zij heeft daarom het laden en lossen van de Sava Star verhinderd toen die in een Zweedse haven lag. Daarop hebben Fonnship en ST een cao gesloten en heeft Fonnship toetredingsbijdragen betaald. Later heeft zij deze teruggevorderd en heeft zij tevens aanspraak gemaakt op schadevergoeding omdat de vakbondsacties onrechtmatig zouden zijn geweest. Dit gebeuren heeft zich nog een keer herhaald in een andere Zweedse haven. De Zweedse rechter heeft overwogen dat beoordeeld moet worden of de vakbondsacties verenigbaar zijn met het Unierecht inzake het vrij verrichten van diensten. Die beoordeling kan echter alleen plaatsvinden als het Unierecht van toepassing is. De Zweedse rechter vraagt het EU-hof of dit het geval is.
Het Hof overweegt dat Verordening 4055/86/EEG van toepassing is op in de EER gevestigde onderdanen van een staat die partij is bij de EER-Overeenkomst en op de in een derde land gevestigde onderdanen van een staat die partij is bij de EER-Overeenkomst en de scheepvaartondernemingen die in een derde land zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een staat die partij is bij de EER-Overeenkomst. Van controleren is sprake wanneer de in de EER gevestigde vennootschap het schip waarmee het zeevervoer wordt verricht, exploiteert. Fonnship diende het schip dus zelf te exploiteren in plaats van dat dit vanuit Panama gebeurde. Het is aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of Fonnship de Sava Star inderdaad zelf exploiteerde. Als dit het geval zou blijken te zijn en als de ontvangers van de diensten van Fonnship in andere EER-staten waren gevestigd dan zijzelf, kan zij zich beroepen op het vrij verrichten van diensten. In dat geval is elke beperking die zonder objectieve rechtvaardiging het vrij verrichten van diensten verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, onverenigbaar met het Unierecht. Het Unierecht omvat op dit punt ook de in het arrest-Laval ontwikkelde rechtspraak inzake de verenigbaarheid van vakbondsacties met het vrij verrichten van diensten. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2014/198 |
| Permalink to this page | |