HR (zaaknummer 13/04030: Testament nietig o.g.v. art. 3:34 BW (geestelijke stoornis)?; vereiste van causaal verband. Bewijs door getuigen; art. 163 Rv (uit eigen waarneming kunnen verklaren))
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 350 |
| Volume | Issue number | 2015 | 40 |
| Pages (from-to) | 4378-4409 |
| Organisations |
|
| Abstract |
In deze erfrechtzaak gaat het om de vraag of een testament op grond van art. 3:34 BW nietig is wegens de aanwezigheid bij erflater van een geestelijke stoornis als gevolg van een hem als kleuter overkomen ongeval. Erflater is overleden in 2011. Hij is niet gehuwd geweest en heeft geen nakomelingen. Hij had drie broers, die eerder dan hij zijn overleden. De twee dochters van zijn broers, onder wie eiseres tot cassatie, zijn thans wettelijk erfgenamen van erflater. Bij testament van 20 mei 1999 heeft erflater verweersters in cassatie tot zijn enig erfgenamen benoemd. Eiseres heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het testament nietig is en dat de nalatenschap van erflater aan de wettige erfgenamen toekomt. Zij heeft daartoe aangevoerd dat erflater als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was zijn wil te bepalen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd.
Bij de beoordeling van het middel dient het volgende tot uitgangspunt. Het bestreden arrest moet aldus worden verstaan. Eiseres heeft haar vordering erop gebaseerd (a) dat de geestvermogens van erflater blijvend waren gestoord, en (b) dat deze stoornis een redelijke waardering belette van de belangen die waren betrokken bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999. Het hof heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat aan voorwaarde (a) is voldaan. Het heeft het aanbod tot bewijslevering echter afgewezen op de grond dat, mede gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen de stoornis en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999, om te worden toegelaten tot bewijslevering. Ingevolge art. 166 lid 1 Rv beveelt de rechter, indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, een getuigenverhoor zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste rechtspraak dient een bewijsaanbod voldoende specifiek te zijn. Het aanbod om de notaris en diens kantoorgenoot als getuigen te doen horen is aldus toegelicht dat eiseres met name wil aantonen dat de notaris zich onvoldoende ervan heeft vergewist of erflater begreep wat hij verklaarde en of zijn verklaring overeenstemde met zijn wil. Daarvoor was volgens eiseres echter alle aanleiding, mede omdat erflater ten kantore van de notaris is verschenen op initiatief en in aanwezigheid van de vader van verweersters. Het aanbod om de huisarts als getuige te doen horen is onder meer toegelicht met een schriftelijke, ondertekende verklaring van die arts. Het aanbod om de specialist ouderengeneeskunde als getuige te doen horen is toegelicht met een door deze opgestelde en ondertekende medische verklaring. Het oordeel van het hof dat, mede gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen de stoornis en het opstellen van de uiterste wilsbeschikking van 20 mei 1999 om te worden toegelaten tot bewijslevering, komt erop neer dat haar bewijsaanbod onvoldoende specifiek is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Het hof heeft overwogen dat alle bewijsaanbiedingen worden gepasseerd, mede omdat de notaris kennelijk geen reden heeft gezien om te twijfelen aan het vermogen van erflater om een uiterste wil te maken. Het middel voert terecht aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd omdat het bewijsaanbod in zoverre nu juist ertoe strekt om aan te tonen dat de notaris ten onrechte niet heeft getwijfeld aan het vermogen van erflater om een uiterste wil te maken. Voor zover het middel mede ertoe strekt dat het hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd het aanbod heeft gepasseerd om de deskundigen S. (met betrekking tot het handelen van de notaris) en D. (met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van erflater) als getuigen (‘getuigen-deskundigen’) te doen horen, falen zij echter. Uit de motivering van het aanbod blijkt immers dat deze deskundigen niet kunnen verklaren over hun uit eigen waarneming bekende feiten (art. 163 Rv). Het is daarom overgelaten aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt (de verwijzingsrechter daaronder begrepen) of hij in zoverre behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Dit neemt niet weg dat de rechter de door deze deskundigen opgestelde schriftelijke verklaringen, die zich onder de processtukken bevinden, zal moeten betrekken in zijn beoordeling van het geschil van partijen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | |
| Permalink to this page | |