NJ 2017/238
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2017 |
| Journal | Nederlandse Jurisprudentie |
| Article number | 238 |
| Volume | Issue number | 2017 | 26/27 |
| Pages (from-to) | 3799-3829 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Onrechtmatige daad. Vermelding namen bankmedewerkers in boek over bank onrechtmatig?; opkomen werkgever voor belangen werknemers op voet art. 7:611 BW (goed werkgeverschap); botsing recht op privacy en vrijheid van meningsuiting (art. 8, 10 EVRM).
Rabobank komt in dit geding als werkgever op voor haar (oud-)werknemers, die volgens haar worden geschaad door een publicatie waarin zij een rol spelen in verband met de werkzaamheden die zij als werknemer voor hun werkgever verrichten. Met betrekking tot een dergelijke publicatie kan een werkgever een vordering instellen ter bescherming van de werknemers. De werkgever komt de bevoegdheid tot het instellen van die vordering toe zowel uit hoofde van het belang dat hij zelf heeft bij de bescherming van zijn werknemers, als ter bescherming van die werknemers, mede op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW). Die bevoegdheid bestaat ook buiten lastgeving en volmacht door de werknemer. Daarbij is mede van belang dat het voor de werknemers belastend kan zijn zelf in rechte op te treden, onder meer in verband met de mogelijke publicitaire gevolgen daarvan. De vermelding van de namen van de (oud-)medewerkers in het boek vormt een inbreuk op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, welk recht mede beschermd wordt door art. 8 EVRM; de publicatie van het boek valt onder het mede door art. 10 EVRM beschermde recht op vrijheid van meningsuiting. Het antwoord op de vraag welke van deze beide fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, waarbij niet als uitgangspunt geldt dat aan een van beide rechten voorrang toekomt. Het oordeel dat een van beide rechten zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de door het hof in aanmerking genomen verteltechniek de aan de orde zijnde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de (oud-)medewerkers van Rabobank kan rechtvaardigen. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CE309F&cpid=WKNL-LTR-Nav2 https://www.ivir.nl/publicaties/download/Annotatie_NJ_2017_238.pdf |
| Downloads |
Annotatie_NJ_2017_238
(Final published version)
|
| Permalink to this page | |