CJEU (case C-239/12 P: Abdulrahim v. Council and Commission)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 159 |
| Volume | Issue number | 2013 | 8 |
| Pages (from-to) | 1714-1728 |
| Organisations |
|
| Abstract |
De heer Abdulrahim heeft in de periode van 21 oktober 2008 tot 22 december 2010 genoteerd gestaan op de sanctielijst voor terrorismebestrijding die overeenkomstig Veiligheidsraadsresolutie 1267 is opgesteld. Als gevolg hiervan is de naam van de heer Abdulrahim in de periode van 22 december 2008 tot 18 januari 2011 onderdeel geweest van de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en financiƫle middelen krachtens EG-verordening nr. 881/2002 moeten worden bevroren (hierna: de lijst).
Op 15 april 2009, nog voor zijn verwijdering van de lijst, heeft de heer Abdulrahim zowel een beroep tot nietigverklaring van verordening 881/2002 als een vordering tot vergoeding van schade geleden door zijn bedrijf bij het Gerecht van de EU ingediend. Op 28 februari 2012 heeft het Gerecht geoordeeld dat de heer Abdulrahim door de verwijdering van zijn naam van de lijst niet langer over een procesbelang beschikte en er derhalve niet over de zaak beslist diende te worden. De heer Abdulrahim is in beroep gegaan tegen de uitspraak van het Gerecht bij het Hof van Justitie (HvJ EU). In zijn uitspraak gaat het Hof (Grote Kamer) in op de verschillende gronden op basis waarvan het Gerecht tot een afwezigheid van procesbelang heeft besloten. Het Hof stelt allereerst vast dat de krachtens verordening nr. 881/2002 vastgestelde beperkende maatregelen aanzienlijke negatieve consequenties hebben en van grote invloed zijn op de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Naast het feit dat de bevriezing van tegoeden in ernstige mate het beroeps- en gezinsleven verstoort en de vrijheid om rechtshandelingen te sluiten belemmert, moet volgens het Hof bovendien rekening gehouden worden met het stigma en het wantrouwen waarmee de publiekelijke aanwijzing van de betrokkenen als personen die banden zouden hebben met een terroristische organisatie gepaard gaat. Het Hof concludeert dat, ondanks de verwijdering van zijn naam van de lijst, de heer Abdulrahim een belang behoudt bij een erkenning van een rechtbank dat hij nooit op de lijst opgenomen had mogen worden. Gelet op de omvang van de aantasting van de reputatie van Abdulrahim blijft zijn procesbelang bestaan om nietigverklaring te vorderen van verordening nr. 1330/2008, voor zover deze hem betreft, en om, indien zijn beroep wordt toegewezen, herstel in eer en goede naam, en aldus een zekere vorm van vergoeding van zijn immateriƫle schade, te verkrijgen. Aangezien het Gerecht de grond van de zaak niet heeft onderzocht, stelt het Hof vast dat het niet mogelijk is zelf definitieve uitspraak in de zaak de doen en verwijst derhalve de zaak terug naar het Gerecht. |
| Document type | Case note |
| Language | English |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/159 |
| Permalink to this page | |
