EHRM (rolnr. 28761/11: Al Nashiri tegen Polen)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2014 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 239 |
| Volume | Issue number | 2014 | 11 |
| Pages (from-to) | 633-635 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Klager is een van de terrorismeverdachten die een hoge positie bekleedden in Al-Qaeda en die daarom door de CIA aan een behandeling als ‘High-Value Detainee’ (HVD) zijn onderworpen. Nadat hij is opgepakt is hij eerst naar Afghanistan vervoerd, waar hij is verhoord, en daarna is hij beweerdelijk overgebracht met een CIA-vlucht naar Polen, waar hij in een geheime CIA-inrichting eveneens is verhoord en daarbij is onderworpen aan een zeer strikt regime, aan ‘Enhanced Interrogation Techniques’ (EITs) en aan handelingen die daarmee samenhingen, zoals ‘mock executions’ en het in het gezicht blazen van sigarenrook. Uiteindelijk is hij naar Guantanamo Bay overgebracht en is hij verschenen voor de militaire commissie die door Bush is ingesteld. In Polen is naar aanleiding van de verdenking dat er een geheime CIA-inrichting in de staat aanwezig zou zijn een onderzoek gestart naar de omstandigheden en verantwoordelijkheid, ongeveer zes jaar na de gebeurtenissen, maar zes jaar daarna heeft dit nog niet geleid tot resultaten of tot concrete aansprakelijkstelling van bepaalde individuen. Polen heeft in de zaak tegen het Hof een groot aantal stukken uit deze procedure niet willen overleggen, ondanks het feit dat het Hof vertrouwelijkheid heeft toegezegd.
Het Hof onderzoekt in de zaak allereerst het gebrek aan medewerking van Polen waar het gaat om het overleggen van gegevens. Weliswaar gaat het hier om informatie die als staatsgeheim is aangemerkt, maar het Hof geeft aan dat Polen er voldoende vertrouwen in kon hebben dat het Hof zorgvuldig met deze informatie zou omgaan. Het is niet in overeenstemming met art. 38 EVRM dat Polen allerlei eisen heeft gesteld en een procedure tot disclosure heeft voorgesteld aan het Hof, nu het aan het Hof zelf is om te bepalen welk materiaal het nodig heeft en de staat daarbij een absolute medewerkingsverplichting heeft. Gelet hierop is het Hof bereid om voor Polen negatieve conclusies af te leiden uit het gebrek aan informatie. Het Hof gaat vervolgens zeer uitgebreid in op de feitenvaststelling, waarbij het onder meer gebruikmaakt van materiaal dat beschikbaar is in rapporten van de CIA (ook al zijn die maar gedeeltelijk gedeclassificeerd en voor een groot deel ‘blackened out’) en de Amerikaanse Senaat, de rapporten van de RvE van Marty en het EP-rapport van Fava. Daarnaast heeft het een hoorzitting gehouden met deskundigen, waaronder Marty en Fava, en met een getuige; deze zittingen vonden in camera plaats. Uit dit alles en uit het stilzwijgen van de Poolse regering leidt het Hof af dat Polen moet hebben geweten van de CIA-inrichting op zijn grondgebied en dat het, zo niet actief dan wel passief, moet hebben toegelaten dat CIA-vluchten met terrorismeverdachten landden op het grondgebied. Het Hof is verder van oordeel dat Polen onvoldoende snel en zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd naar de CIA-inrichtingen, onder meer gelet op het laattijdig instellen van het onderzoek terwijl de feiten al eerder bekend waren, het vertragen van het onderzoek, het gebrek aan publieke informatievoorziening over de omstandigheden en het nog steeds niet geleid hebben van het onderzoek tot het aanwijzen van verantwoordelijken. Schending procedurele verplichtingen onder art. 3 EVRM. Het Hof stelt verder vast dat de behandeling van klager foltering heeft opgeleverd in de zin van art. 3 EVRM, gelet op de ernst en duur van de behandeling en de evidente gerichtheid daarvan op het afdwingen van bekentenissen en het verkrijgen van informatie. Polen moet zich daarvan bewust zijn geweest gelet op de informatie die in het publieke domein beschikbaar was en gelet op de al vastgestelde verantwoordelijkheid, zodat Polen voor het gedogen van deze schending verantwoordelijk moet worden gehouden. Op dezelfde gronden is eveneens sprake van een duidelijke schending van art. 5 en 8 EVRM door Polen, nu klager zonder proces en incommunicado gevangen is gehouden in een geheime inrichting en de CIA juist deze vorm van handelen koos omdat de aard van de detentie in de VS niet verenigbaar zou zijn geweest met de daar gestelde eisen van rule of law. Verder stelt het Hof vast dat bij Polen bekend kon zijn dat klager bij uitzetting naar de VS zou worden onderworpen aan een flagrant oneerlijk proces; van zo’n proces is sprake nu de militaire commissies ook volgens het Amerikaanse Supreme Court niet voldeden aan de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en andere basale waarborgen, terwijl bovendien gebruik zou kunnen worden gemaakt van door foltering verkregen bewijs terwijl dat notoir onbetrouwbaar en volkomen in strijd met rechtsstatelijke basisvereisten is. Daardoor is ook sprake van een schending van art. 6 EVRM. Verder is sprake van een schending van art. 2 EVRM doordat Polen wist dat klager bij uitzetting en veroordeling kon worden onderworpen aan de doodstraf, maar geen garanties heeft gevraagd dat deze niet zou worden opgelegd. Van een schending van art. 13 EVRM in Polen is eveneens sprake nu klager weliswaar ‘arguable claims’ had onder art. 2, 3 en 8 EVRM, maar er geen mogelijkheid is geweest in dat verband een effectief rechtsmiddel te benutten. De klacht over toegang tot ‘de waarheid’ onder art. 10 EVRM is in overeenstemming met wat het Hof in El-Masri heeft geoordeeld kennelijk ongegrond. Onder art. 46 EVRM legt het Hof Polen de verplichting op om in ieder geval aan de VS alsnog garanties te vragen dat de doodstraf niet zal worden opgelegd. Gelet op de extreme ernst van wat klager ten deel is gevallen, kent het Hof hem 100.000 euro aan schadevergoeding toe. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2014/239 |
| Permalink to this page | |