EHRM (rolnummer 9540/07: Murat Vural tegen Turkije)
| Authors |
|
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 29 |
| Volume | Issue number | 2015 | 2 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Murat Vural is een Turkse burger woonachtig in Ankara, die na afronding van zijn universitaire studie in aanmerking komt om leraar te worden. Vural is echter lange tijd werkloos, omdat het Ministerie van Onderwijs zijn aanvraag om als leraar te werken heeft afgewezen. Als protest tegen die beslissing besmeurt Vural tussen april en juli 2005 enkele standbeelden van Atatürk in de tuinen van twee basisscholen en in het centrum van het dorpje Sincan met verf. Bij een volgende verfpoging in september 2005 wordt hij opgepakt en vervolgd op basis van de Law no. 5816 on Offences committed against Atatürk; de rechtbank te Sincan acht hem schuldig aan de belediging van de nagedachtenis van Atatürk en omdat hij vijf keer een beeld heeft besmeurd wordt de gebruikelijke gevangenisstraf voor een overtreding met vijf vermenigvuldigd, waardoor Vural tot een totale gevangenisstraf van meer dan 22 jaar wordt veroordeeld. Vural gaat in beroep. Op 6 april 2006 verwerpt de Turkse Hoge Raad zijn verweer slechts een mening te hebben geuit binnen de grenzen van art. 10 EVRM, maar vernietigt het vonnis van de rechtbank, omdat het onvoldoende motiveert waarom de vijf verfincidenten vijf overtredingen opleveren en niet een. Op 5 juli 2006 acht de rechtbank Vural ten slotte schuldig aan een enkele overtreding, maar legt hem wel de maximaal toegestane straf onder wet 5816 op, vermenigvuldigd met driekwart omdat de overtreding op meerdere tijdstippen is gepleegd, waardoor Vural alsnog tot een totale gevangenisstraf van dertien jaar, een maand en vijftien dagen wordt veroordeeld. Bovendien raakt hij als automatisch gevolg van de veroordeling zijn kiesrecht kwijt.
Vural stapt naar het EHRM wegens vermeende schending van art. 10 EVRM. Het Hof gaat vrij uitgebreid in op de vraag of het besmeuren van standbeelden met verf kan worden gezien als een meningsuiting. Daarbij stelt het voorop dat een beoordeling moet worden gemaakt van de aard van de handeling of het gedrag in kwestie, waarbij in het bijzonder moet worden gekeken naar het objectief gezien expressieve karakter daarvan, maar ook naar de subjectieve doelstelling of intentie van degene die de uiting doet. Het Hof overweegt dat het besmeuren van standbeelden van Atatürk met verf objectief gezien als een expressieve handeling moet worden gezien en de klager hiermee bovendien zijn ‘lack of affection’ voor Atatürk wilde uitdrukken; hij werd ook niet veroordeeld vanwege vandalisme, maar vanwege de belediging van de nagedachtenis van Atatürk. Gelet hierop is sprake van een inbreuk op art. 10 EVRM. Het Hof overweegt vervolgens dat het op zichzelf wel redelijk kan zijn om de nagedachtenis van Atatürk te beschermen, maar dat in dit geval de opgelegde sanctie in alle opzichten volledig disproportioneel is. De handelingen van Vural waren in ieder geval niet zodanig dat zij een zo vergaande gevangenisstraf rechtvaardigden met verlies van stemrecht. Daardoor is sprake van een schending van art. 10 EVRM, zodat het Hof niet meer hoeft in te gaan op de noodzakelijkheid in een democratische samenleving van de inbreuk. Daarnaast stelt het Hof conform eerdere uitspraken tegen Turkije een schending vast van art. 3 EP, gelet op het brede en volledige uitsluiten van het kiesrecht van alle gevangenen, zonder een individuele beoordeling uit te voeren of categorieën te maken van delicten of groepen waarvoor uitsluiting in de rede ligt. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | |
| Permalink to this page | |