HvJ EU (C-283/11: Sky Österreich GmbH / Österreichischer Rundfunk (ORF))
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2013 |
| Journal | EHRC. European Human Right Cases |
| Article number | 90 |
| Volume | Issue number | 2013 | 5 |
| Pages (from-to) | 962-971 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Sky Österreich bezat de exclusieve televisie-uitzendrechten in Oostenrijk voor voetbalwedstrijden in de Europa League gedurende de seizoenen 2009/2010 t/m 2011/2012. De publieke omroep Österreichischer Rundfunk (ORF) betaalde aanvankelijk volgens een overeenkomst tussen de partijen een vergoeding van 700 euro per minuut voor het uitzenden van korte samenvattingen van deze wedstrijden. In november 2011 stelde de Oostenrijkse reguleringsinstantie voor de media, de Kommunikationsbehörde Austria (KommAustria), dat Sky als houder van de exclusieve televisie-uitzendrechten verplicht was ORF het recht te verlenen om korte nieuwsverslagen te verzorgen zonder een vergoeding te kunnen eisen die hoger was dan de extra kosten die rechtstreeks voortkomen uit het verschaffen van toegang tot het satellietsignaal, welke kosten in casu nihil waren. De Bundeskommunikationssenat die het hoger beroep behandelt, legt aan het HvJ EU de prejudiciële vraag voor of art. 15 lid 6 van Richtlijn 2010/13/EU (Richtlijn audiovisuele mediadiensten), dat ten grondslag ligt aan het besluit van KommAustria, verenigbaar is met de art. 16 en 17 van het EU Grondrechtenhandvest en met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, in het bijzonder voor zover het eigendomsrecht van Sky met betrekking tot de uitzendrechten in het geding zou kunnen zijn.
Het HvJ EU is van oordeel dat de genoemde grondrechten de geldigheid van de Richtlijnbepaling niet aantasten. Ten eerste staat art. 17 Hv EU (recht op eigendom) niet aan een dergelijke bepaling in de weg. Contractueel verworven exclusieve televisie-uitzendrechten zijn op zichzelf aan te merken als vermogensrechten die binnen de beschermingssfeer van art. 17 Hv EU vallen. Een marktdeelnemer zoals Sky kan zich echter niet op goede gronden op een verworven rechtspositie beroepen. Zij verkreeg immers de exclusieve rechten na inwerkingtreding van de Richtlijn die compensatie voor uitzending van korte nieuwsverslagen van evenementen van groot publiek belang uitsloot. Op dat moment waren de lidstaten al verplicht tot omzetting van de Richtlijn in nationaal recht en liep de implementatietermijn ten einde. Een geslaagd beroep op art. 17 Hv EU is onder deze omstandigheden niet meer mogelijk. Ten tweede is het door art. 16 Hv EU beschermde recht op vrijheid van ondernemerschap en contractsvrijheid niet absoluut, maar dient de gelding van dit recht te worden beschouwd in het licht van zijn maatschappelijke functie. Volgens het HvJ EU doet art. 15 lid 6 Rl. niet af aan de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap, aangezien de uitoefening van de ondernemersactiviteit niet als zodanig wordt beperkt en een houder van exclusieve uitzendrechten deze rechten bovendien tegen betaling zelf kan benutten of kan overdragen. De inmenging in het recht op vrij ondernemerschap is bovendien niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel: de waarborging van de door art. 11 Hv EU beschermde vrijheid van meningsuiting en informatie vormt een doelstelling van algemeen belang, met name in een pluralistische samenleving en in het bijzonder wanneer het evenementen van groot belang voor het publiek betreft. Art. 15 lid 6 Rl. is geschikt om deze doelstelling te verwezenlijken, door het mogelijk maken van het uitzenden van korte nieuwsverslagen. Een financiële compensatie van de houder van exclusieve uitzendrechten zou weliswaar minder belastend zijn geweest, maar een dergelijke maatregel zou de doeltreffendheid van de huidige bepaling missen, aangezien deze aan alle marktdeelnemers de mogelijkheid biedt om toegang tot het signaal te verkrijgen, ongeacht hun financiële draagkracht. De Uniewetgever heeft bovendien een duidelijke afbakening gemaakt van de door het Hv EU beschermde grondrechten op vrij ondernemerschap en vrijheid van informatie door vereisten vast te stellen voor het gebruik van fragmenten uit het signaal. Op deze manier heeft de Europese wetgever een redelijk evenwicht tot stand gebracht tussen de in het geding zijnde rechten en fundamentele vrijheden. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2013/90 |
| Permalink to this page | |