HR (rolnummer 10/05187, LJN BW9769: koude uitsluiting: vergoedingsrechten ten aanzien van gezamenlijke woning, omzetting annuïteiten- in spaarhypotheek: peildatum vermogensvorming, aflossingen en premiebetalingen zijn geen huishoudkosten, natuurlijke verbintenis)

Authors
Publication date 2012
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 104
Volume | Issue number 2012 | 6
Pages (from-to) 521-539
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Ten aanzien van de huishoudkosten werd bepaald dat deze geheel ten laste van de man zouden komen, behoudens vrijwillige bijdragen van de vrouw. De definitie van huishoudkosten omvatte de gebruikelijke componenten; echtgenoten hadden hier geen bijzondere regeling in getroffen ten aanzien van aflossingen van de hypothecaire lening ter zake van de echtelijke woning.

In het kader van de echtscheiding rijst een aantal geschillen aangaande de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling. Tijdens het huwelijk is de echtelijke woning verkregen op beider naam. De man heeft de woning in z’n geheel afgelost; eerst door middel van het aflossen van een annuïteitenhypotheek; en daarna, toen deze was omgezet in een spaarhypotheek door het betalen van premies in de kapitaalverzekering die op zijn naam stond. De man beroept zich erop dat hij een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw aangezien hij 100% van de aflossingen heeft betaald van een woning waarvan zij mede-eigenaar was. De Hoge Raad is het daarmee eens: het nihilbeding heeft alleen betrekking op de huishoudkosten. Aflossingen van hypotheken, betalingen van premies voor de kapitaalverzekering in het kader van een spaarhypotheek daaronder begrepen, worden niet gekwalificeerd als huishoudkosten.

Relevant voor de peildatum inzake het vergoedingsrecht is het moment van vermogensvorming, derhalve volgens de Hoge Raad het moment dat de kapitaalverzekering tot uitkering kwam in 2006. Toen kreeg de vrouw (mede) aanspraak op de overwaarde van de woning. Dat de kapitaalverzekering al eerder door premiebetalingen is gevoed, speelt in dit kader geen rol.

De vrouw beroept zich erop dat de man door de betalingen voldaan heeft aan een natuurlijke verbintenis jegens haar tot verzorging. Ook hiervoor houdt de Hoge Raad het moment van het tot uitkering komen van de kapitaalverzekering aan, omdat op dat moment de relevante prestatie werd verricht. Op dat moment was er geen sprake van een verzorgingsbehoefte: de vrouw had in de afgelopen jaren een aanzienlijk kapitaal opgebouwd, zij had eigen inkomsten gedurende langere periodes tijdens het huwelijk zodat er niet sprake was van een traditioneel rollenpatroon, waaruit een verzorgingsbehoefte zou moeten voortvloeien.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2012/104
Permalink to this page
Back