EHRM (rolnr. 978/09 en 992/09: H. en J. tegen Nederland: Recht op een eerlijk proces, Nemo tenetur, Asiel, Uitsluitingsgronden, Art. 1F Vluchtelingenverdrag)

Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 109
Volume | Issue number 2015 | 5
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Klagers zijn in de jaren ’90 vanuit Afghanistan naar Nederland gevlucht en hebben hier asiel gevraagd. In de asielprocedure verklaarden zij te hebben gewerkt als hoofd en zeer hoge officier bij de Afghaanse veiligheidsdiensten (KhAD/WAD). H. werd op grond van art. 1F van het Vluchtelingenverdrag uitgesloten van een status, omdat hij bij deze werkzaamheden betrokken zou zijn geweest bij foltering en andere ernstige mensenrechtenschendingen. J. kreeg aanvankelijk wel asiel, maar zijn vergunning werd later ingetrokken op grond van art. 1F Vluchtelingenverdrag. Tegen zowel H. als J. werd een strafrechtelijk onderzoek gestart vanwege verdenking van betrokkenheid bij foltering en andere ernstige misdrijven. Bij de strafprocedures zijn ook hun verklaringen tegenover de IND betrokken. Mede op grond daarvan zijn zij voor onder meer het medeplegen van foltering veroordeeld tot twaalf resp. negen jaar gevangenisstraf.

Het Hof stelt voorop dat de bescherming tegen zelfincriminatie en het zwijgrecht in art. 6 EVRM worden verondersteld; het zwijgrecht strekt op grond van de vaste Saunders-jurisprudentie echter niet zover dat daardoor ook materiaal wordt gedekt dat bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. Het Hof benadrukt dat Nederland gelet op verdragen verplicht is om foltering strafbaar te stellen en dat het het recht heeft om verdachten van foltering zelf te berechten in plaats van over te leveren. Gelet op het feit dat klagers zelf naar Nederland zijn gekomen en aan de autoriteiten hebben bekend dat zij werkzaam zijn geweest voor diensten die zich met foltering bezighielden, moet worden aangenomen dat Nederland niet alleen de bevoegdheid, maar zelfs de verplichting had om hen te berechten. In het kader van de asielprocedure was Nederland gerechtigd om volledige openheid van klagers te verwachten; er is geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van door de autoriteiten opgelegde dwang. De verklaringen in de asielprocedure zijn vertrouwelijk gedaan, maar die vertrouwelijkheid geldt volgens het Hof uitsluitend naar de autoriteiten van de staat waar de vluchtelingen vandaan komen. Er is geen reden waarom die autoriteiten geen gebruik mogen maken van dergelijke informatie om schuldigen te bestraffen. Zodra de verklaringen verkregen waren was er dus geen reden waarom de IND ze niet aan het OM hadden mogen overdragen. In het strafproces hebben klagers bovendien alle andere waarborgen gekregen die zij nodig hadden. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/109
Permalink to this page
Back