EHRM (50012/08: M.S. / België)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 100
Volume | Issue number 2012 | 6
Pages (from-to) 1259-1274
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
M.S., van Irakese afkomst, vraagt in 2000 asiel in België. Hij wordt in 2004 onherroepelijk veroordeeld voor onder andere mensensmokkel en banden met de terroristische organisatie Al Qaida. Zijn asielaanvraag wordt afgewezen. Nog in strafrechtelijke detentie wordt zijn uitzetting bevolen alsmede verdere vasthouding in administratieve detentie in de gesloten inrichting Merksplas, omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. De uitzetting wordt niet doorgezet, omdat de Belgische asielautoriteit een art. 3 EVRM-belemmering bij de uitzetting naar Irak constateert. Na zijn vrijlating in maart 2009 wordt M.S. enkele maanden onder huisarrest geplaatst, maar vervolgens wordt hij opnieuw administratief gedetineerd op grond van de openbare orde. De Belgische autoriteiten trachten vergeefs derde landen bereid te vinden M.S. asiel te verlenen. In oktober 2010 wordt M.S. gerepatrieerd naar Irak, volgens de Belgische autoriteiten op vrijwillige basis. In een brief aan zijn advocaat maakt M.S. echter duidelijk dat terugkeer zijn enige optie was nu het vooruitzicht van onbegrensde detentie in België voor hem ondraaglijk was. Bij aankomst in Irak wordt M.S. direct gearresteerd, maar na drie weken wordt hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld en onder toezicht geplaatst.

Het Hof verwerpt het argument van België dat M.S. vrijwillig is vertrokken en dus afstand heeft gedaan van zijn bescherming onder art. 3 EVRM. M.S. had geen werkelijke keuze gelet op zijn uitzichtloze positie in België. Vanwege zijn profiel en het feit dat de Belgische autoriteiten niet hebben verzocht om diplomatieke garanties liep M.S. een reëel risico op arrestatie en onmenselijke behandeling na terugkeer. Schending art. 3 EVRM. Het Hof concludeert dat de bewaring van M.S. gedurende twee perioden plaatshad zonder dat er zicht was op uitzetting, in strijd met art. 5 lid 1 onder f EVRM. Ook is art. 5 lid 4 EVRM geschonden doordat onvoldoende spoedig werd beslist op de rechtmatigheid van de detentie. De maatregel van huisarrest komt niet binnen de reikwijdte van art. 5 EVRM. Evenmin kan klager een beroep doen op het recht op bewegingsvrijheid beschermd door art. 2 Vierde Protocol, omdat die bepaling uitsluitend van toepassing is op personen met rechtmatig verblijf.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/100
Permalink to this page
Back