HR (zaaknr. 12/04575: herinvesteringsreservelichaam, herinvestering in zelfde boekjaar, fraus legis)

Authors
Publication date 2014
Journal BNB : Beslissingen in Belastingzaken
Article number 172
Volume | Issue number 2014 | 16
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for Tax Law (ACTL)
Abstract
Belanghebbende heeft in 2006 winkel- en woonobjecten geleverd aan drie van haar vier aandeelhouders. Bij notariƫle akte van 28 september 2006 om 8.50 uur, heeft belanghebbende een kantoorpand gekocht van G NV. Op diezelfde dag om 9.05 uur is bij notariƫle akte een overeenkomst van koop en verkoop gesloten waarbij alle aandelen in belanghebbende aan Holding BV zijn verkocht. Holding BV is gelieerd aan G NV. Vervolgens zijn om 9.20 uur de aandelen in belanghebbende geleverd aan Holding BV. Op 29 september 2006 is het kantoorpand aan belanghebbende geleverd. In geschil is of belanghebbende de boekwinst ter zake van de in 2006 geleverde winkel- en woonobjecten in mindering mag brengen op de aanschaffingskosten van het kantoorpand, hetzij vanwege het bestaan van een herinvesteringsreserve, hetzij op grond van de ruilarresten.
HR: In een geval als het onderhavige is geen plaats voor toepassing van de ruilarresten (vgl. HR, BNB 2014/176*).
Een belastingplichtige is vrij om ter zake van vervreemdingswinst op een bedrijfsmiddel al dan niet een herinvesteringsreserve (HIR) te vormen, waarbij geldt dat de keuze pas hoeft te blijken op de balans van het jaar van vervreemding (vgl. HR, BNB 1980/234). Indien de belastingplichtige heeft beslist een HIR te vormen, moet deze geacht worden te zijn gevormd op het moment waarop (anders) de vervreemdingswinst in aanmerking had moeten worden genomen, en moet die HIR op het moment van herinvestering geacht worden te zijn afgeboekt op de aanschaffings- en/of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel waarin wordt geherinvesteerd. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat vrijval van de HIR op grond van art. 15e Wet VPB 1969 ook aan de orde kan zijn wanneer de vervreemding en herinvestering in hetzelfde jaar plaatsvinden.
Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan de duidelijke tekst van art. 15e niet opzij worden gezet met een beroep op een ruimere ratio van deze bepaling. In het oordeel van het Hof ligt evenwel besloten dat de doorslaggevende beweegreden voor de keuze van de volgorde waarin de samenhangende rechtshandelingen hebben plaatsgevonden, was gelegen in de wens om heffing van vennootschapsbelasting te verijdelen. Onder deze omstandigheden zouden doel en strekking van de wet op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien de HIR niet aan de winst van belanghebbende wordt toegevoegd.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C73608&cpid=WKNL-LTR-Navigator
Permalink to this page
Back