HvJ EU (rolnr. C-166/13: Sophie Mukarubega tegen Préfet de Police en Préfet de la Seine-Saint-Denis: Recht op behoorlijk bestuur, Rechten van de verdediging, Recht om te worden gehoord, Asielverzoek, Terugkeerrichtlijn)

Authors
Publication date 2015
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 2
Volume | Issue number 2015 | 1
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Mukarubega is afkomstig uit Rwanda en is Frankrijk binnengereisd op grond van een visum, waarna zij asiel heeft aangevraagd. In het kader van de behandeling van het asielverzoek wordt zij gehoord. Het asielverzoek wordt vervolgens afgewezen en Mukarubega krijgt de opdracht om binnen dertig dagen het land te verlaten; dat doet zij niet. Wel probeert zij met een vals paspoort en een valse identiteit naar Canada te reizen; zij wordt daarbij door de politie aangehouden en in verzekering gesteld vanwege documentfraude. Tijdens die inverzekeringstelling wordt zij opnieuw gehoord. Vervolgens wordt op 5 maart 2013 een besluit genomen inzake de verplichting om het Franse grondgebied te verlaten, waarbij Mukarubega wordt meegedeeld dat zij daartegen beroep kan instellen. In een tweede besluit van dezelfde datum wordt besloten dat Mukarubega in vreemdelingenbewaring moet worden gesteld voor een duur van vijf dagen, d.w.z. de termijn die nodig is om haar vertrek te bewerkstelligen. Mukarubega heeft tegen deze besluiten op 6 maart 2013 beroep ingesteld. Bij de behandeling van deze beroepen komt onder meer de vraag op of Mukarubega bij de voorbereiding van deze besluiten voldoende is gehoord. De bevoegde Franse bestuursrechter legt daarover een prejudiciële vraag voor aan het HvJ.

Het HvJ overweegt dat de terugkeerrichtlijn (Rl. 2008/115/EG) op dit punt geen precies geformuleerde bepalingen bevat. Art. 41 Hv bevat wel een recht van eenieder om te worden gehoord voordat een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, maar deze bepaling is uitsluitend gericht tot de instellingen van de EU, zodat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend ten aanzien van organen van de lidstaten. Tegelijkertijd vormt het recht om te worden gehoord wel een integraal onderdeel van de rechten van de verdediging, die kunnen worden beschouwd als een algemeen beginsel van Unierecht. Het recht om te worden gehoord waarborgt daarbij dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure, voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Volgens de rechtspraak van het Hof heeft deze regel tot doel de bevoegde autoriteiten in staat te stellen naar behoren rekening te houden met alle relevante elementen. Die regel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokkene, deze in staat te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat een bepaald besluit wel of juist niet wordt genomen, of dat in bepaalde zin wordt besloten. Dit recht om te worden gehoord moet ook worden geëerbiedigd als de wetgeving niet voorziet in een procedure daaromtrent; deze verplichting rust op de administratieve organen van de lidstaten zodra zij maatregelen nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Tegelijkertijd gaat het hier niet om een absoluut recht. Per situatietype moet worden nagegaan welke precieze regels en beperkingen kunnen worden gesteld. In het onderhavige geval moet de omvang van de verplichting worden bezien in het licht van het stelsel van de terugkeerrichtlijn. Daarbij neemt het Hof aan dat een terugkeerbesluit het noodzakelijke gevolg is van de vaststelling dat een betrokkene geen rechtmatig verblijf heeft. Als hierover twee besluiten worden genomen, zoals in het geval van Mukarubega, en de betrokkene al een standpunt kenbaar heeft kunnen maken ten aanzien van het besluit over de rechtmatigheid van verblijf, is het niet nodig dat de betrokkene nog een tweede keer wordt gehoord over het terugkeerbesluit. Het besluit over de rechtmatigheid dient uiteraard wel te worden genomen op basis van een billijke en transparante procedure waarbij de betrokkene naar behoren wordt gehoord; de lidstaten moeten daarin in hun nationale procedures uitdrukkelijk voorzien.

In het onderhavige geval oordeelt het HvJ dat Mukarubega voldoende is gehoord rondom het besluit over haar asielverzoek, waarbij zij de nodige opmerkingen heeft kunnen maken. Daardoor was het niet nodig om haar nog eens afzonderlijk te horen in het kader van het terugkeerbesluit.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2015/2
Permalink to this page
Back