EHRM (8139/09: Othman (Abu Qatada) / Verenigd Koninkrijk)

Authors
Publication date 2012
Journal EHRC. European Human Right Cases
Article number 64
Volume | Issue number 2012 | 4
Pages (from-to) 722-753
Organisations
  • Faculty of Law (FdR) - Amsterdam Center for International Law (ACIL)
Abstract
Abu Qatada (echte naam Othman) uit Jordanië is een radicale imam, verdacht van banden met Al-Qaeda. Hij is in 1993 toegelaten als vluchteling in het Verenigd Koninkrijk. In 2002 wordt hij gearresteerd op basis van de Britse anti-terrorismewet van 2001. In Jordanië is hij in 1999 en 2000 bij verstek veroordeeld voor onder meer het financieren van terrorisme.

In oktober 2001 adviseert het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken dat art. 3 EVRM zich verzet tegen de mogelijke uitzetting van terreurverdachten naar Jordanië. In een later advies wordt daaraan toegevoegd dat diplomatieke garanties ten aanzien van de behandeling van de verdachten in Jordanië dat bezwaar mogelijk kunnen wegnemen. In 2005 sluit het Verenigd Koninkrijk een ‘Memorandum of Understanding’ (MoU) met Jordanië dat een reeks verzekeringen bevat ten aanzien van de behandeling van over te dragen personen. Kort na deze overeenkomst wordt de uitzetting van Abu Qatada naar Jordanië bevolen.

In beroep stelt Abu Qatada dat hij in Jordanië opnieuw berecht zal worden waardoor hij blootgesteld wordt aan marteling, langdurig voorarrest en een flagrant oneerlijk proces omdat bewijs verkregen door marteling tegen hem zal worden gebruikt. De ‘Special Immigration Appeals Commission’ (SIAC) concludeert dat het MoU het risico op mishandeling in Jordanië afdoende wegneemt en dat er weliswaar een reëel risico is van het gebruik van bewijs verkregen door marteling in de toekomstige strafprocedure, maar dat dit onder art. 6 EVRM onvoldoende is om aan uitzetting in de weg te staan. Het ‘House of Lords’ bevestigt die uitspraak.

Voor het Hof brengt Abu Qatada dezelfde klachten in, aangevuld met de klacht onder art. 13 EVRM dat zijn uitzetting mede is gebaseerd op vertrouwelijk bewijsmateriaal dat hij niet effectief kon aanvechten. Het Hof overweegt onder art. 3 EVRM dat het MoU dusdanig concreet en alomvattend is dat hierdoor het risico op mishandeling afdoende wordt weggenomen. De klacht onder art. 13 EVRM wordt verworpen omdat de SIAC een voldoende nauwgezet onderzoek naar de geheime informatie over de afspraken met Jordanië heeft verricht. Ten aanzien van art. 5 EVRM merkt het Hof op dat die bepaling in uitzonderlijke gevallen, indien sprake is van een flagrante schending van die bepaling in het ontvangende land, aan uitzetting in de weg kan staan. Omdat het onwaarschijnlijk is dat het voorarrest van Abu Qatada in Jordanië langer dan 50 dagen zal duren is een dergelijke flagrante schending niet aangetoond. Ten aanzien van de klacht onder art. 6 EVRM herhaalt het Hof de eerdere jurisprudentie waarin is geaccepteerd dat een reëel risico op een flagrant oneerlijk proces in het ontvangende land een uitzetverbod oplevert. Het gebruik van bewijs verkregen door marteling levert naar het oordeel van het Hof een flagrant oneerlijk proces op. Aangezien er een reëel risico bestaat op het gebruik van dergelijk bewijs concludeert het Hof tot schending van die bepaling indien Abu Qatada zou worden uitgezet.
Document type Case note
Language Dutch
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/EHRC/2012/64
Permalink to this page
Back