HvJ EU (C-302/11, C-303/11, 304/11, C-305/11 [gevoegde zaken]: Valenza, Altavista, Marsella, Schettini, Tomassini vs. Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2012 |
| Journal | Jurisprudentie Arbeidsrecht |
| Article number | 297 |
| Volume | Issue number | 2012 | 16 |
| Pages (from-to) | 2277-2290 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Verzoekers in deze procedure zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij AGCM, een overheidsinstelling, in dienst geweest. Per 17 mei 2007 zijn hun overeenkomsten omgezet in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Daarbij is geen rekening gehouden met de anciënniteit die is opgebouwd tijdens de contracten voor bepaalde tijd. Verzoekers stellen dat AGCM aldus onterecht onderscheid maakt op grond van de tijdelijkheid van hun arbeidsovereenkomst. De Italiaanse rechter heeft het HvJ EU verzocht om aan te geven of dit inderdaad het geval is.
Het HvJ EU stelt vast dat clausule 4 van de raamovereenkomst die behoort bij Richtlijn 1999/70 van toepassing is. Het feit dat verzoekers inmiddels een vaste aanstelling hebben, betekent niet dat zij de discriminatie die het gevolg is van het niet meewegen van hun vroegere diensttijd als werknemer in tijdelijke dienst, niet aan de orde kunnen stellen. Bekeken moet worden of verzoekers, toen zij nog in tijdelijke dienst waren, zich in een situatie bevonden die vergelijkbaar was met die van de werknemers die bij AGCM in vaste dienst waren. Het is aan de nationale rechter om dit te beoordelen. Wel merkt het hof op dat het feit dat verzoekers hebben aangegeven dat zij, sinds zij in vaste dienst zijn, dezelfde functies zijn blijven vervullen als voorheen, erop duidt dat sprake is van een vergelijkbare situatie. Als sprake is van gelijke of vergelijkbare gevallen, rijst de vraag naar de objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling. De Italiaanse regering heeft in dit opzicht opgemerkt dat er objectieve verschillen zijn tussen de ambtenaren die direct in vaste dienst zijn aangenomen, na te zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek, en de ambtenaren die eerst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gewerkt - omdat zij niet voor het vergelijkend onderzoek waren geslaagd - en pas later in vaste dienst zijn gekomen. Het HvJ EU merkt op dat het mogelijk is dat dergelijke objectieve verschillen bestaan, zoals dat de beroepservaring van de tijdelijke werknemers verschilt van die van de vaste. De criteria voor vaststelling van die verschillen dienen dan wel transparant te worden toegepast en controleerbaar te zijn. Het enkele feit dat de ambtenaren in vaste dienst zijn aangesteld na een vergelijkend onderzoek en de ambtenaren in tijdelijke dienst niet, kan geen rechtvaardiging vormen voor het volledig en in alle omstandigheden uitsluiten van het meetellen van de anciënniteit van de tijdelijke werknemers. Zou dat wel kunnen, dan zou de doelstelling van Richtlijn 1999/70 zinledig worden. NB. Het betreft hier een onderscheid tussen werknemers in vaste en in tijdelijke dienst, niet het aanbieden van andere arbeidsvoorwaarden bij omzetting van een tijdelijk in een vast contract, zoals in «JAR» 2012/117 (Huet). Wil een onderscheid gerechtvaardigd zijn, dan moet het berusten op transparante en controleerbare criteria. Vgl. «JAR» 2007/251 (Del Cerro Alonso). |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JAR/2012/297 |
| Permalink to this page | |