Gerechtshof 's-Gravenhage (Verknochtheid: materiële schadevergoeding en smartengeld, Ongerechtvaardigde verrijking: invloed redelijkheid en billijkheid)

Authors
Publication date 2009
Journal Jurisprudentie personen- en familierecht
Article number 24
Volume | Issue number 2009 | 2
Organisations
  • Faculty of Law (FdR)
Abstract
Partijen waren in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw letsel opgelopen, waarvoor zij materiële schadevergoeding en smartengeld heeft ontvangen. De vraag is of beide schadevergoedingscomponenten al dan niet dusdanig zijn verknocht dat zij in de verdeling van de huwelijksgemeenschap moeten worden betrokken.

Ten aanzien van het smartengeld overweegt het hof dat zowel de aanspraak op een smartengelduitkering alsmede de uitkering zelf verknocht is. De uitbetaalde uitkering valt derhalve niet in de gemeenschap.

Ten aanzien van de materiële schadevergoeding overweegt het hof dat - overeenkomstig het Whiplash-arrest van de Hoge Raad, HR 24 oktober 1998, NJ 1998, 693 - het gedeelte dat bestemd is ter vervanging van arbeidsinkomen tijdens het huwelijk, in de gemeenschap valt; de rest niet. In casu staat vast dat een deel van de schadevergoeding betrekking heeft op de na-huwelijkse periode.

Aangezien het geld nog in de gemeenschap zat ten tijde van de echtscheiding, overweegt het hof dat de gemeenschap ongerechtvaardigd verrijkt is. De vrouw heeft ter hoogte daarvan een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap, waarbij voor de bepaling van de omvang ervan ook moet worden gekeken naar de redelijkheid en billijkheid.

In casu is de hele schadevergoeding - materieel en immaterieel - opgesoupeerd. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien het consumptieve karakter van de uitgaven zij haar vergoedingsrecht niet kan effectueren ("op is op"). Het hof volgt haar in dit oordeel.

Zij vindt wel dat in de verdeling moet worden betrokken de saldi van de rekeningen op het moment van de verdeling. Het hof is het - anders dan de rechtbank oordeelde - hiermee eens: de man beschuldigt de vrouw ervan, gelden te hebben weggesluisd. Op grond van art 1:98 BW heeft de vrouw wel een inlichtingenplicht jegens de man, maar niet de plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. De man had ten aanzien van zijn stellingen een specifiek bewijsaanbod moeten doen, nu de vrouw de gestelde feiten ontkent, zo het hof.

Document type Case note
Note LJN BD6054;data resp. 13-02-2008 ( LJN BC4531, nr. 24), 17-10-2008 (LJN BE9080, nr. 23) en 26-09-2008 (LJN BF2295, nr. 22)
Published at http://opmaatnieuw.sdu.nl/link/JUR/JPF/2009/24
Permalink to this page
Back