HR (13/06123: Bij uitkoop disfunctionerende vennoot moet de betaalde uitkoopsom geheel worden geactiveerd, tenzij de bedrijfswaarde van hetgeen is verkregen lager is)
| Authors | |
|---|---|
| Publication date | 2015 |
| Journal | BNB : Beslissingen in Belastingzaken |
| Article number | 77 |
| Volume | Issue number | 2015 | 8 |
| Organisations |
|
| Abstract |
Belanghebbende, een BV, was een van de vier maten van een belastingadvies- en accountantsmaatschap. Eén van de belastingadviseurs (de uittreder) die via zijn BV in de maatschap deelnam, heeft in de jaren 2003 t/m 2006 beperkt bijgedragen aan de werkzaamheden van de maatschap en heeft vanaf maart 2007 wegens ziekte geen werkzaamheden meer verricht. Als gevolg van de verminderde arbeidsinzet heeft de maatschap klanten en medewerkers verloren. Vanaf 14 november 2007 maakt de BV van de uittreder geen deel meer uit van de maatschap. De uittreder heeft zijn maatschapsaandeel aan de overige maten verkocht.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende de ter zake van de uitkoop van de uittreder betaalde goodwill dient te activeren, dan wel of zij deze geheel in het onderhavige jaar in aftrek van de winst mag brengen. In het bijzonder was in geschil of de uitkoop noodzakelijk was om de maatschap van verdere verliezen te vrijwaren. Het Hof heeft geoordeeld dat dit laatste het geval was en dat de beweegreden om tot uitkoop van de uittreder over te gaan niet was de vergroting van het winstaandeel van de overblijvende maten. Het ter zake van de uitkoop van de uittreder betaalde bedrag aan goodwill mag volgens het Hof geheel in het onderhavige jaar ten laste van de winst worden gebracht. HR: Anders dan het Hof uit HR, BNB 1955/229 heeft afgeleid, kan niet iedere betaling die geschiedt bij gelegenheid van het uitkopen van een niet-functionerende vennoot in één keer ten laste van de winst worden gebracht. De in HR, BNB 1955/229 geformuleerde uitgangspunten houden onder meer in dat bij de uitkoop van een zittende vennoot niet ineens ten laste van de winst kan worden gebracht een bedrag dat wordt betaald om de reden dat die vennoot niet, of niet in toereikende mate, bijdraagt aan de omzet van de door de vennootschap gedreven onderneming. Een dergelijke betaling vormt immers een betaling voor het brengen van wijziging in de bestaande winstverdeling. Bij uitkoop van een zittende vennoot dienen de overblijvende vennoten hun aandeel in het aan die vennoot betaalde bedrag te activeren, tenzij de bedrijfswaarde van hetgeen zij daartegenover hebben verkregen lager is. Het verschil tussen dit aandeel en de (lagere) bedrijfswaarde daarvan kan ineens ten laste van de winst worden gebracht. Blijkens de met de uittreder gesloten overeenkomst betrof hetgeen aan de uittreder is betaald tot een bedrag van € 775.000 uitdrukkelijk het restant van diens aandeel in de maatschap, inclusief alle goodwill in de maatschap waarop hij recht had. In het licht daarvan is het oordeel van het Hof dat zich hier het geval voordoet dat de betaling aan de uittreder noodzakelijk is geweest om het bedrijf van de maatschap te vrijwaren van verder oplopende verliezen onbegrijpelijk. |
| Document type | Case note |
| Language | Dutch |
| Published at | http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00C92C0B&cpid=WKNL-LTR-Nav2 |
| Permalink to this page | |